Nieuws

ABM logo tekst

Kunnen bestuurders failliet verklaard worden?

29.07.2022

Op 18 maart 2022 besliste het Hof van Cassatie dat bestuurders niet failliet verklaard kunnen worden. Zij vallen onder het regime van de collectieve schuldenregeling. Het arrest was een verrassing voor menig jurist en heeft belangrijke gevolgen. Feiten. Het ging hier om de zaakvoerder van een vastgoedvennootschap. De man is gepensioneerd en door gezondheidsproblemen moet hij zijn activiteiten stopzetten. Naast zijn pensioen blijft hij nog bescheiden huurinkomsten ontvangen via de verhuring van eigendommen van het bedrijf. Op 18 juli 2019 wordt hij onder bewind gesteld en op 17 november 2019 legt zijn voorlopig bewindvoerder in het centraal solvabiliteitsregister twee faillissementen neer, één op naam van de vennootschap en één op naam van de zaakvoerder. In eerste aanleg bevestigt de ondernemingsrechtbank het faillissement van de vennootschap, maar de rechter weigert het faillissement van de zaakvoerder, omdat de zaakvoerder geen onderneming is.Ook het Hof van Beroep van Bergen komt tot die conclusie. Wanneer is er sprake van een onderneming? . Alleen ondernemingen kunnen failliet verklaard worden. De vraag is dus wat een onderneming is. De definitie van onderneming vinden we terug in artikel I.1, 1°, a), van het Wetboek van economisch recht: Behoudens andersluidende bepaling (...) wordt voor de toepassing van dit Wetboek verstaan onder :1° “ onderneming : elk van volgende organisaties :(a) iedere natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent;(b) iedere rechtspersoon;(c) iedere andere organisatie zonder rechtspersoonlijkheid. Het hof leidt daaruit af dat een natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent een onderneming kan zijn als er sprake is van een ‘organisatie’.  Het klopt dat er een vermoeden bestaat dat een bestuurder/zaakvoerder een zelfstandige activiteit uitoefent. Maar het hof verwijst ook naar andere regelgeving, waaronder rechtspraak van het Europees Hof van Justitie, waar het statuut van zelfstandige niet werd toegekend aan een bestuurder die geen enkele verantwoordelijkheid droeg voor de handelingen van zijn vennootschap. Het Europese hof benadrukte daarbij het onderscheid tussen de vennootschap en de organen van de vennootschap op het gebied van aansprakelijkheid. Het vermoeden leidt dus niet tot een automatische toekenning van het statuut van onderneming. Een ander element dat het hof van beroep aanhaalt is de regel dat er maar een zelfstandige activiteit kan zijn als er sprake is van de regelmatige uitoefening van een activiteit met het oog op het verkrijgen van inkomsten. Het hof concludeert daaruit dat een onderneming minder wordt gekenmerkt door haar activiteiten of doel dan door zijn organisatie, en meer bepaald door de manier waarop de materiële, financiële en personele middelen zijn geregeld. Het enkele feit dat een natuurlijke persoon een mandaat als zaakvoerder of bestuurder uitoefent, vergt op zich geen specifieke organisatie: de hele organisatie is verbonden met de vennootschap.  Rekening houdende met de concrete situatie - het beperkte inkomen als zelfstandige, geen bewijs van de omvang van de beroepsactiviteit, geen boekhoudkundige documenten, stopzetting van de activiteit …- concludeert het hof dat de zaakvoerder niet aantoont dat er in dit geval een specifieke organisatie bestaat die is opgericht om zijn beroepsactiviteit uit te oefenen. Belang. Het feit dat een bestuurder niet failliet verklaard zou kunnen worden, heeft toch wel gevolgen. Als een faillissementsprocedure wordt doorlopen, eindigt die procedure normaliter met een kwijtschelding van de nog openstaande schulden. Dat maakt een doorstart of herstart met schone lei mogelijk. Immers, inkomsten verworven na de faling, vallen buiten het faillissement, zodat de schuldeisers er geen beslag meer kunnen op leggen. De tegenhanger van het faillissement voor de ondernemingen is de collectieve schuldenregeling. Particulieren die hun schulden niet meer kunnen betalen, kunnen op die regeling een beroep doen. In dat geval krijgen zij bijstand om hun vermogen te gebruiken om de nog openstaande schulden te kunnen delgen. De inkomsten van de betrokken personen - ook de toekomstige - worden afgeroomd om de schulden te betalen. Het is eerder uitzonderlijk dat een rechter beslist tot kwijtschelding van de openstaande schulden. Hof van Cassatie . Tegen de beslissing van het Hof van Beroep van Bergen wordt cassatie aangetekend. Voor Cassatie stelt de zaakvoerder dat een beroepsactiviteit omschreven moet worden als: elke gebruikelijke activiteit die inkomsten genereert, waarbij het criterium van continuïteit en duurzaamheid doorslaggevend is.De functie van zaakvoerder van een vennootschap impliceert duurzaamheid en bestaat uit het verlenen van diensten die een economische werkzaamheid vormen. Als die diensten onafhankelijk worden geleverd, door een natuurlijke persoon, dan is die persoon op zichzelf een ‘organisatie’ in de zin van artikel I.1, 1°, a), van het Wetboek van economisch recht. Maar het Hof volgt de visie van het Hof van Beroep van Bergen: er kan maar sprake zijn van een onderneming als er een organisatie is. En een organisatie impliceert een regeling van materiële, financiële of persoonlijke middelen voor de uitoefening van een professionele activiteit op onafhankelijke basis. Het Hof van Bergen concludeerde dat de zaakvoerder die organisatie niet had. Cassatie besluit dat het Bergense hof de wet correct heeft toegepast. Rechtsleer verbaasd . In de juridische wereld is deze beslissing met enige verrassing onthaald. Het gevaar bestaat namelijk dat er voortaan eerst gediscussieerd moet worden over de vraag of een zelfstandige (al dan niet zaakvoerder) zich voldoende georganiseerd heeft om als een onderneming beschouwd te kunnen worden. Vooral voor bestuurders kan dit een moeilijk verhaal worden. Want hoeveel organisatie heeft u nodig om bestuurder te kunnen zijn?

Lees meer
ABM logo tekst

Co-ouderschap: vermindering van onroerende voorheffing voor kinderen ten laste

25.07.2022

Wie minstens 2 kinderen ten laste heeft kan per kind een vermindering van 10% van de onroerende voorheffing genieten. Maar hoe bereken je het aantal kinderen ten laste bij co-ouderschap? De oplossing van het Vlaamse gewest is alvast niet de goede oplossing, want die werd door het Grondwettelijk Hof vernietigd. Van de federale overheid naar de gewesten. Sinds jaar en dag bestaat er voor particulieren die in hun eigen woning wonen, een vermindering van onroerende voorheffing voor kinderen ten laste. Wie op 1 januari van het aanslagjaar minstens 2 kinderen ten laste heeft, kan een vermindering krijgen van 10% per kind. Een gehandicapt kind wordt steeds voor 2 kinderen geteld. Intussen is die onroerende voorheffing een gewestmaterie geworden en die gewesten hebben er elk hun eigen versie van gemaakt. Waals Gewest. Het Waalse gewest veranderde aanvankelijk niets aan zijn regime, zodat de regel van 10% per kind, vanaf twee kinderen ten laste daar bleef gelden. Maar de belastingadministratie werd ook daar geconfronteerd met het regime van het co-ouderschap: de ouders gaan uit elkaar en in plaats van een bezoekrecht voor de ene, en een vergoeding voor de andere ouder, besluiten ze om de kinderen afwisselend bij te houden. Vaak fifty-fifty, voor telkens één week. Wie heeft er in zo’n situatie de kinderen ten laste? In het Waalse gewest ging men dan gewoon kijken naar de domiciliëring. De ouder bij wie de kinderen hun adres hadden, kreeg de volledige vermindering. De andere ouder kreeg helemaal niets.  In 2011 besliste het Grondwettelijk Hof dat dit niet kon. Het is niet omdat de kinderen niet gedomicilieerd zijn bij een ouder, dat zij niet ten laste van die ouder kunnen zijn. Als de ouders op gelijke wijze instaan voor hun kinderen en zij allebei de kinderen werkelijk en op gelijkmatig verdeelde wijze huisvesten, moet het voordeel van de vermindering aan beide ouders toegekend worden.  De vermindering van onroerende voorheffing bedraagt nu 125 euro in het Waalse gewest als u 2 of meer kinderen ten laste heeft. En u moet die vermindering zelf aanvragen. In uw aanvraag moet u aanduiden of er al dan niet sprake is van alternerende huisvesting. Als dat zo is, wordt de vermindering netjes in twee verdeeld. Brussels Hoofdstedelijk Gewest . In het Brussels gewest werden de regels op de onroerende voorheffing hervormd in 2018. Net als voorheen genieten gezinnen met 2 of meer kinderen een vermindering van onroerende voorheffing van 10% per kind. Maar bij de hervorming werd de problematiek van het co-ouderschap meegenomen: er geldt een vermoeden dat de kinderen ten laste zijn van de ouder of van het gezin waar ze gedomicilieerd zijn. De toekenning van de vermindering is wel afhankelijk van de periode waarin de betrokken ouder het kind ook effectief huisvest. In tegenstelling tot het Waalse gewest is er geen sprake van een 50/50-verdeling, maar van een proportionele verdeling. De (in Brussel gehuisveste) ouder die het kind opvangt, maar geen vermindering krijgt, moet vóór 31 maart van het aanslagjaar een aanvraag indienen.  Vlaams Gewest. Tot nu bleef het Vlaamse gewest vasthouden aan de toekenning van de vermindering van onroerende voorheffing aan de ouder die ook de kinderbijslag ontvangt. Het grote voordeel is dat die vermindering dan automatisch kan worden toegekend. Maar het Vlaamse Gewest biedt niet de mogelijkheid om daarvan af te wijken en het Grondwettelijk Hof heeft nu laten verstaan dat dat niet kan. Het Vlaamse gewest argumenteerde dat een persoon maar één hoofdverblijfplaats kan hebben, dat kinderen dus slechts bij één ouder gedomicilieerd kunnen zijn en dat de automatische toekenning van de vermindering van onroerende voorheffing geen andere mogelijkheid laat. Het is aan de ouders om concrete afspraken te maken over de verdeling van het voordeel van de vermindering in het kader van hun scheiding, aldus het Vlaamse gewest. Maar het Hof verwijst naar eerdere arresten waarin het het Waalse en Brusselse gewest op de vingers tikte. De argumenten van de Vlaamse regering – automatisatie en efficiënte controle – zijn onvoldoende om een onderscheid te maken tussen de ouder waar de kinderen gedomicilieerd zijn en de ouder die de kinderen in het kader van co-ouderschap ook huisvest, zonder dat er sprake is van domiciliëring. De Vlaamse wetgever moet dus aan de slag. Wellicht gaat het in de richting van een bezwaarschrift of een aparte aanvraagprocedure waarin de belastingplichtige dan moet aantonen dat er een gelijkmatige huisvesting is. Of het een 50/50-verdeling wordt of een zuiver proportionele verdeling... dat zal nog moeten blijken. Door het arrest van het Grondwettelijk Hof zou u in theorie nog de vermindering van onroerende voorheffing over 2018 kunnen vragen. Maar weinigen zullen dat doen, want de ex-partner zal dan ongetwijfeld de rekening gepresenteerd krijgen. Maar als u ooit zou overwegen om uw gezin (met 2 of meer kinderen) te verlaten én daarbij ook de gewestgrens over te steken, huurt u maar beter een belastingconsulent in!

Lees meer
ABM logo tekst

Kan de fiscus dezelfde feiten twee keer sanctioneren?

11.07.2022

Overtredingen kunnen bestraft worden met administratieve of strafrechtelijke sancties, en soms zelfs met beide tegelijk. Maar eenzelfde fiscale overtreding twee keer bestraffen, dat mag niet... Of toch? Non bis in idem. Niemand kan twee keer gestraft worden voor eenzelfde feit. Dat is een algemeen rechtsbeginsel, dat niet alleen in onze Belgische nationale wetgeving vervat zit, maar bijvoorbeeld ook in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (het EVRM).  Het begrip ‘straf’ heeft daar trouwens een ruime invulling gekregen: er wordt gekeken naar de ernst van de sanctie, niet naar wie de sanctie oplegt. De fiscus legt in principe administratieve sancties op. Alleen de strafrechter kan strafrechtelijke sancties opleggen. Maar dat onderscheid valt weg voor het EVRM. Als de sanctie ernstig genoeg is, is ze strafrechtelijk. Ook als ze door een belastingadministratie wordt opgelegd. U zou dus kunnen concluderen dat als een belastingplichtige door de fiscus beboet wordt wegens fraude, een strafrechter er eigenlijk geen strafrechtelijke sanctie meer kan aan toevoegen. Strafrechtelijk na fiscaal . Maar in 2016 nuanceerde het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) dat principe in fiscale zaken. Volgens het Hof kunnen een administratieve sanctie (met een strafrechtelijk karakter) én een straf (uitgesproken door de strafrechter) wel degelijk samen toegepast worden als de twee samen een coherent geheel van bestraffing vormen.  De twee sanctiesystemen moeten daartoe ‘substantieel’ en ‘temporeel’ nauw met elkaar verbonden zijn én ze moeten ‘complementaire doelen nastreven’. In België werden deze principes in 2019 in onze wetgeving opgenomen: de Belgische strafrechter mag dus nog straffen opleggen, ook als de fiscus al sancties heeft opgelegd, maar bij de bepaling van de strafmaat moet de rechter rekening houden met de eerder opgelegde geldboetes en belastingverhogingen. Fiscaal na fiscaal . De Belgische fiscus heeft een uitgebreid arsenaal aan administratieve sancties waaruit hij kan putten om overtredingen te bestraffen. Naast boetes zijn er ook belastingverhogingen mogelijk. Vaak worden beide gecombineerd. Maar zoals hiervoor al werd vermeld is het onderscheid tussen een administratieve sanctie en een strafrechtelijke sanctie niet relevant voor het EVRM. Er moet enkel gekeken worden naar de ernst van de sanctie. Op basis van dat principe concludeerde het Hof van Cassatie onlangs dat ook twee administratieve sancties onder het non bis in idem-beginsel kunnen vallen. In het betrokken geval werd een aangifte laattijdig ingediend. Laattijdige aangiften worden gesanctioneerd met een administratieve boete. Maar sinds 2017 kan de belastingplichtige voor een laattijdige aangifte ook een belastingverhoging krijgen, bovenop de boete. In zijn arrest volgt het Hof van Cassatie gewoon de EVRM-regels: het gaat hier om twee sancties voor eenzelfde feit. Dat kan alleen maar als de twee sancties nauw met elkaar verbonden zijn én ze een complementair doel nastreven. Dat was volgens het Hof van Cassatie niet het geval, waardoor één van de twee sancties onterecht werd toegepast. Wat nu? . In dit dossier was het redelijk duidelijk dat er geen sprake was van complementariteit, maar dat er gewoon twee sancties werden toegepast voor één en hetzelfde feit, namelijk het laattijdig indienen van de aangifte. Als de fiscus een gewone boete én een belastingverhoging tegelijk wil toepassen, zal hij dus moeten aantonen dat de boete en de belastingverhoging een verschillend doel nastreven. Het arrest van het Hof van Cassatie heeft echter ook niet meer draagwijdte dan dát. Het is dus niet zo dat overtredingen op de fiscale wetgeving nu per definitie alleen nog gesanctioneerd kunnen worden met ofwel een boete, ofwel een belastingverhoging. Maar het is wel een waarschuwing voor de fiscus dat boetes en belastingverhogingen die samen toegepast worden niet tot een disproportionele sanctionering mogen leiden. 

Lees meer
ABM logo tekst

Foutje van de fiscus: gauw corrigeren

08.07.2022

Uw fiscale aangifte wordt, tot bewijs van het tegendeel, geacht correct te zijn. Maar als de fiscus een fout ziet, dan moeten de fiscale ambtenaren in principe een bericht van wijziging sturen vooraleer ze uw aangifte mogen aanpassen. Het Hof van Cassatie meent echter dat die procedure niet altijd nodig is. Berekeningsfoutje. Een vennootschap dient een aangifte in; de aanslag wordt berekend, maar naderhand blijkt dat de fiscus vergeten is om de verrekenbare voorheffingen af te trekken van de verschuldigde belasting. De fiscus zet de fout snel recht via een zogenaamde ambtshalve ontheffing. Maar de vennootschap is daar niet tevreden mee: de fiscus moet de aangifte respecteren en door een aanslag te vestigen die niet overeen kwam met de aangifte, was volgens de belastingplichtige de volledige aanslag nietig. De belastingplichtige hoopte op die manier wellicht van een belastingvrij jaar te kunnen genieten. Al is het zo dat als de fiscus een fout maakt waardoor een aanslag volledig nietig is, hij in de meeste gevallen de kans heeft om een nieuwe of subsidiaire aanslag te vestigen. Een jaartje zonder belastingen blijft vrijwel altijd een (verre) droom.  Maar hier gaf de rechtbank van eerste aanleg de vennootschap gelijk. De administratie gaat echter in beroep en daar krijgt de fiscus gelijk. Volgens het hof werd de aangifte wel degelijk gerespecteerd, maar was er gewoon een onachtzaamheid gebeurd bij de inkohiering, waardoor het bedrag van de belasting niet correct was. Advocaat-generaal en Hof van Cassatie . De belastingplichtige is niet tevreden met die uitspraak en trekt naar het hoogste rechtscollege van ons land: het Hof van Cassatie. Hij wil weten of de fiscus ook een bericht van wijziging moet opstellen als de wijziging van aangifte voortvloeit uit een materiële vergissing.  De advocaat-generaal van het Hof meent alvast van wel. De wet legt die verplichting op aan de fiscale administratie indien die meent de inkomsten en andere gegevens te moeten wijzigen.  U zou daaruit kunnen afleiden dat de fiscus alleen een bericht van wijziging moet opsturen als hij bewust de aangifte wil wijzigen. Maar, zegt de advocaat-generaal, als de fiscus een aanslag vestigt die niet overeenkomt met de aangifte, hoe kan de belastingplichtige dan weten of de fiscus dit “bewust” heeft gedaan, dan wel of het om een vergissing of onachtzaamheid ging? De conclusie van de advocaat-generaal is dan ook duidelijk: als de aanslag niet werd gevestigd in overeenstemming met de aangifte, is die volledig nietig.  Maar het Hof van Cassatie is een andere mening toegedaan. Volgens het hof is een bericht van wijziging alleen vereist als de fiscus de bedoeling heeft de gegevens van de aangifte te betwisten. Bij een vergissing of misslag is dat dus niet nodig. Andere gevallen. Er zijn eerder ook al situaties geweest waarin de fiscus zich vergiste en hij zijn fout recht zette zonder een bericht van wijziging te sturen. Zo onder meer een geval waarbij de verrekenbare voorheffing 490.601 Belgische frank bedroeg, maar er slechts 409.601 BEF effectief verrekend werd. Of een geval waarbij de aftrek voor pensioensparen vergeten was. In beide gevallen corrigeerde de fiscus de aanslag naderhand, zonder een bericht van wijziging te sturen, en de rechtbanken die daarover moesten oordelen, vonden dat evenmin een probleem. We moeten echter vaststellen dat de belastingplichtige een veel kleinere ‘foutenmarge’ heeft. Een cijferomzetting zoals hiervoor vermeld, kan bij de belastingplichtige leiden tot een boete. En vergeet u de belastingvermindering voor pensioensparen toe te passen, dan maakt u volgens de fiscus een ‘keuze’, waarop u niet meer kan terugkomen. Gelukkig is dankzij de digitalisering van de aangifte en de vooraf ingevulde rubrieken de kans op dit soort van fouten kleiner geworden.

Lees meer
ABM logo tekst

Plan het bezoek van de fiscus

04.07.2022

Ondernemers hebben steeds meer te maken met een overload aan administratie: vergunningen, verzekeringen, fiscaliteit... De fiscus wordt vaak als de lastigste partij beschouwd. Maar het is belangrijk dat u uw zaakjes goed op orde hebt, want het kan heel snel, heel erg fout gaan. Schrijf daarom een scenario uit voor onverwacht bezoek! Feiten. Een illustratie van hoe het fout kan lopen: in oktober 2018 brengt de Bijzondere Belastinginspectie (BBI), met goedkeuring van de rechter, een onverwacht bezoek aan de administratieve zetel van een onderneming in meubels. Ze vindt er bestel- en leveringsbons van goederen die tussen 1 januari 2016 en 30 september 2018 besteld en geleverd zouden zijn, maar waarvoor er geen verkoopfactuur wordt teruggevonden in het verkoopdagboek van de vennootschap. De BBI neemt de boekhoudkundige stukken, de documenten en ringmappen mee, kopieert de elektronische data en neemt verklaringen af van de medewerkers die op dat ogenblik in het kantoor aanwezig zijn.  In februari 2019 valt er bij de belastingplichtige een proces-verbaal in de brievenbus: de vennootschap moet 299.534,22 euro aan verdoken btw ophoesten. Maar dat is niet alles, zij is ook voor meer dan 640.000 euro aan proportionele geldboetes verschuldigd, plus een niet-proportionele geldboete van net iets meer dan 40.000 euro. Totaal te betalen: 981.691,68 euro. In maart 2022 trekt de belastingplichtige naar de rechtbank van eerste aanleg van Gent met als voornaamste argument dat de inval van de BBI onwettig was.  Wie deed de deur open?. In eerste instantie roept de belastingplichtige in dat de persoon die de BBI ontving, daar niet toe bevoegd was.  Op het ogenblik dat de BBI aanbelt, kijkt iedereen wellicht naar de man of vrouw met de meeste anciënniteit, maar dat is niet noodzakelijk een persoon die de onderneming kan verbinden. In dit geval waren de twee vennoten op zakenreis in het buitenland en werd de BBI ontvangen door een mevrouw die bij de aanvang van de visitatie verklaarde dat zij de verantwoordelijke en de vennoot was, in afwezigheid van de andere twee vennoten (Het arrest is daar niet erg duidelijk over, maar het betrof wellicht de moeder van de twee vennoten). Voor de BBI was die verklaring voldoende om ervan uit te gaan dat de mevrouw de nodige bevoegdheden had en de inspectie met haar onderzoek van start kon gaan. De dame verleende de ambtenaren toegang tot de beroepslokalen, legde de gevraagde stukken voor en tekende het proces-verbaal van het onderzoek. Omdat de dame zich voorstelde als de bevoegde persoon, is het onderzoek op dat punt wettig verlopen, aldus de Gentse rechter. Zelfs al had de dame in kwestie op geen enkel moment aangetoond dat zij ook effectief bevoegd was. En ook al had de BBI haar op geen enkel moment gevraagd om aan te tonen dat zij bevoegd was. Dat was volgens de rechter niet nodig. ‘Fishing -expeditie’. Het tweede argument van de belastingplichtige is dat de BBI enkel maar lukraak is binnengevallen om te zoeken naar overtredingen; zonder dat daarvoor een aanleiding bestond. Het ging volgens hem om een ‘buitenproportionele fishing-expeditie’: tijdens de inval werd met geen woord gerept over het doel van het onderzoek en over de gecontroleerde periode. Maar de rechtbank meent dat de Btw-administratie over ruime onderzoeksbevoegdheden beschikt : de administratie mag ter plaatse alle boeken en stukken onderzoeken, de betrouwbaarheid nagaan van de digitale inlichtingen én de gegevens en bewerkingen en de aard en belangrijkheid van de beroepswerkzaamheid en het daarvoor aangestelde personeel nagaan. Het heeft geen zin om dergelijke ruime bevoegdheden in de wet in te schrijven als de belastingplichtige zou kunnen bepalen wat de BBI mag inkijken, en wat niet.  De belastingplichtige heeft wel het recht om zich te verzetten tegen de inzage, waarna de belastingadministratie verder gerechtelijke stappen moet ondernemen. Maar als de belastingplichtige, zoals hier, meewerkt aan, en zich niet verzet tegen het onderzoek, is dat onderzoek perfect rechtsgeldig. De BBI heeft hier een inval gedaan om de fiscale toestand te controleren. Zij heeft daarbij gewoon gebruik gemaakt van haar wettelijke onderzoeksbevoegdheden. Kopiëren van computerbestanden. Tijdens het onderzoek had de BBI een integrale kopie gemaakt van de computerbestanden. Zo had ze wellicht ook bestanden gekopieerd die tot de privésfeer van de betrokkenen behoorden, zoals e-mails. Maar de rechter heeft daar opnieuw geen bezwaar tegen: bij elke laptop ter plaatse het privé- en beroepsgedeelte uitsplitsen, was niet mogelijk. Het nemen van een volledige kopie van de server was hier wel degelijk een proportionele maatregel. Bovendien blijkt uit niets dat de BBI de privé-bestanden zou gebruikt hebben voor de belastingheffing. Vergeefs slotpleidooi. De belastingplichtige vraagt tot slot om de boetes te verminderen. Een boete van 200% van de ontdoken rechten is inderdaad mogelijk als men niet factureert, maar het is meteen ook de hoogst mogelijke boete. Maar de rechter meent dat de feiten en omstandigheden erop wijzen dat er sprake is van een gestructureerde fiscale fraude en bevestigt het bedrag van de boete. Lessons learned . Uiteraard is de boodschap niet dat u moet uitkijken met fiscale fraude… Zoals u weet wordt fraude zwaar bestraft. De boodschap is eerder dat u, een beetje zoals bij een brandbeveiliging, maar beter een plan heeft voor het geval de fiscus bij u aanklopt:- Waar liggen de documenten die u nodig heeft?- Wie is bevoegd?- Wat met de uitsplitsing privé/beroepsmatig?Een onaangekondigde visitatie komt immers nooit op het goede moment en kan best imponerend zijn.

Lees meer
ABM logo tekst

Cryptowinst en -verlies fiscaal bekeken

01.07.2022

Belegt u ook in cryptomunten? De opbrengsten zijn erg wisselend. Maar wat vindt de fiscus ervan als er dan effectief winst wordt gemaakt? De ‘echte’ wereld. Als u regelmatig een extra centje verdient met beleggen, loopt u de kans dat de fiscus bij u aanklopt voor een bijdrage. Winsten behaald uit speculatie zijn immers belastbaar als divers inkomen, aan een tarief van 33%. Gaat u nog een stapje verder en belegt u om meerwaarden te realiseren, dan loopt u zelfs de kans dat de fiscus die winst beschouwt als beroepsinkomsten en dat u er dus een progressief tarief op betaalt. Alleen als de beleggingswinst sporadisch is, eenmalig, zonder leningen, bent u geen belasting verschuldigd. De cryptowereld. Als u zich met overgave in de beleggingswereld stort, leningen aangaat, misschien zelfs software schrijft om te minen (d.i. om transacties te controleren), dan is de kans reëel dat de fiscus het geheel van uw acties als een beroepsactiviteit kwalificeert en dat uw opbrengsten worden belast tegen de gewone progressieve tarieven. Maar de meeste hobbybeleggers gaan niet zo ver en beleggen eerder wat ze kunnen missen of beleggen de opbrengst van vorige transacties. In dat geval zal er eerder sprake zijn van een divers inkomen.  Noteer trouwens dat verliezen niet aftrekbaar zijn: als u bij de ene transactie een winst boekt en bij de andere een verlies, dan compenseren die elkaar niet.   Het is maar als het gaat om een eenmalige transactie of om een transactie zonder de inzet van enig middel dat de fiscus u de gerealiseerde winsten laat behouden. De grenzen tussen deze kwalificaties zijn vaag. Dat is al het geval als het gaat om aandelen, maar dat is het des te meer als het gaat om cryptomunten. Enkele voorbeelden kunnen wat verheldering bieden. Software. Eén van de eerste fiscale rulings over cryptomunten dateert van 2017 en betrof een student die een software ontwikkeld had voor de aan- en verkoop van cryptomunten. Omdat het een student betrof, was de fiscale Rulingcommissie van oordeel dat er geen sprake kon zijn van een beroepsinkomen. Maar omdat er software bij betrokken was en er dus een zweem van ‘georganiseerd beleggen’ was, werd er geoordeeld dat eventuele meerwaarden als diverse inkomsten gekwalificeerd moesten worden. Een IT-manager had in dat opzicht minder geluk: hij ontwikkelde een programma waarmee hij cryptocoins kon minen. Zijn pc moest permanent draaien om de nodige berekeningen te kunnen doen. Volgens de Rulingcommissie was daar sprake van een beroepsactiviteit omdat de betrokken persoon een IT-achtergrond had (opleiding/beroep), zijn hardware permanent draaide én er een hoge frequentie aan transacties was (de IT-manager verkocht maandelijks de verworven cryptomunten). Een andere persoon ontwikkelde software in bijberoep. Hij had jaren geleden wat cryptomunten gekocht en had voor zichzelf een simpel programmaatje ontwikkeld waarmee hij automatisch transacties kon laten uitvoeren. Omdat de betrokken persoon met zijn hoofdberoep niet in de beleggings- of IT-sector zat, het om een heel eenvoudige software ging en het ook om zeer beperkte bedragen ging, waren de winsten hier geen beroepsinkomsten, maar werden ze wel gekwalificeerd als diverse inkomsten. Bedragen. Veel hangt ook af van de bedragen die ingezet worden. Wanneer meerdere tienduizenden euro’s worden ingezet zal de fiscus (of de Rulingcommissie) al sneller oordelen dat er minstens sprake is van een divers inkomen. Zeker als er daarvoor geld wordt geleend. Een andere trigger is de omvang van het vrij beschikbaar vermogen. Als de belegging meer bedraagt dan 25% van het beschikbaar vermogen, dan oordeelt de Rulingcommissie in principe dat er sprake is van een divers inkomen. Andere criteria. De Rulingcommissie publiceerde intussen een lijst met 17 criteria die ze zelf ook gebruikt wanneer ze moet oordelen of een meerwaarde al dan niet als een divers inkomen moet worden beschouwd. Die lijst werd begin 2022 vernieuwd en is voor de potentiële belegger een leidraad om te zien hoever hij kan gaan. Buiten de eerder vermelde aspecten – bent u ook professioneel bezig met dit soort van activiteiten en de grootte van de investering – spelen ook nog mee: de oorsprong van de cryptomunten: Werden de cryptomunten geschonken of geërfd? Dan is er zelden of nooit sprake van een speculatief inzicht en worden de winsten niet belast. Leende u om de belegging te doen? Dan is er in de praktijk wél sprake van een speculatief inzicht en zal de fiscus de opbrengst altijd als een divers inkomen belasten. beleggingsstrategie: Hoeveel transacties vinden er plaats? Is er een beleggingsstrategie? Wordt er software ingezet? … Naarmate er meer sprake is van het doordacht verhandelen van cryptomunten – eventueel in combinatie met andere beleggingen – is de kans groter dat de winsten belastbaar worden als een divers inkomen of zelfs als een beroepsinkomen. duur: Hoelang doet u dit al? ondersteuning: Laat u zich begeleiden door professionelen uit de sector? Vennootschappen. Voor vennootschappen die zich met crypto currencies bezighouden, is alles wat eenvoudiger: alle inkomsten die een vennootschap verwerft, zijn sowieso beroepsmatig. Eventuele problemen situeren zich daar eerder bij de aftrekbaarheid van de beroepskosten, want in tegenstelling tot de inkomsten, zijn de uitgaven van een vennootschap niet per definitie beroepsmatig. De uitgaven moeten gedaan zijn om inkomsten te verwerven of te behouden. Bovendien wordt algemeen aanvaard dat de kosten ook moeten kaderen in het maatschappelijk doel van de onderneming. Hoewel de rechtspraak daar de laatste jaren minder de nadruk op legt, verdient het toch aanbeveling om eens te kijken in welke mate de statuten van uw vennootschap u toelaten om al dan niet speculatief in te zetten op beleggingen. Verlies. Een kwalificatie als ‘divers inkomen’ heeft het voordeel dat de opbrengsten van de cryptobeleggingen niet bij het beroepsinkomen worden gevoegd, maar apart belast worden aan 33%. De kosten die u maakte, zijn aftrekbaar. De verliezen zijn in principe niet aftrekbaar. Er heeft geen ‘consolidatie’ plaats van de verschillende soorten diverse inkomsten die u ontvangt. Het kan soms zelfs gunstiger zijn om een kwalificatie als beroepsinkomen te krijgen, want dan kan u de verliezen op uw beleggingen niet alleen aftrekken van uw beleggingswinsten, maar ook van uw andere inkomsten. Spring daar echter niet te lichtzinnig mee om: de fiscus zal ook wel beseffen waarom u plots beweert beroepsmatig aan beleggingen te doen. Bovendien kan de fiscus dan in de toekomst – wanneer u wel weer winst maakt - die winst als een beroepsinkomen bestempelen. Erger nog, de fiscus kan ook naar het verleden kijken en u de rekening presenteren voor de ‘beroepsmatige’ winsten die u al eerder opgestreken hebt...

Lees meer
ABM logo tekst

Fiscale retroactiviteit van herstructureringsoperatie

28.06.2022

Bij een inbreng, fusie of splitsing is het niet ongebruikelijk dat de partijen een bepaalde datum vastprikken voor de waardering van hun deal. Vervolgens worden nog diverse afspraken gemaakt en wordt het contract soms pas maanden later getekend. Hoe gaat de fiscus om met die terugwerkende kracht. Bijzaak volgt hoofdzaak . Fiscaliteit is geen bijzaak, maar de fiscaliteit baseert zich op de juridische werkelijkheid, zoals die terug te vinden is in diverse wetboeken. Als een investering vanuit boekhoudkundig perspectief een actief is, dan is dat ook zo in de fiscaliteit. Als een vereniging rechtspersoonlijkheid heeft volgens het vennootschapsrecht, dan aanvaardt de fiscus die rechtspersoonlijkheid. Alleen wanneer de fiscale wet uitdrukkelijk afwijkt van dat principe kan de fiscus abstractie maken van het normale juridische kader of kan hij, in het kader van een misbruik, zelfs een ander juridisch kader, met gepaste fiscale gevolgen opleggen. Vennootschaps- en boekhoudrecht . Een overeenkomst over een herstructurering heeft op zich geen terugwerkende kracht. De fusie, splitsing of inbreng heeft pas plaats op het ogenblik dat de overeenkomst wordt gesloten, en dat kan, juridisch gezien, ten vroegste plaatsvinden wanneer de algemene vergadering beslist om te herstructureren. Dat kan ook op een latere datum plaatsvinden, wanneer de partijen dat zo overeenkomen. Maar de partijen kunnen natuurlijk ook een moment in het verleden prikken voor de waardering van hun deal.  De terugwerkende kracht van een herstructurering was tot vóór het Wetboek vennootschappen en verenigingen (WVV) niet geregeld. Het was onder impuls van de Commissie voor Boekhoudkundige Normen dat retroactiviteit aanvaard werd als de balansdatum niet overschreden werd. Het WVV bevat nu wel een wettelijke regeling en het wetboek begrenst de boekhoudkundige retroactiviteit in geval van fusie, splitsing en inbreng van een bedrijfstak of een algemeenheid tot de eerste dag na de afsluiting van het boekjaar waarvoor de jaarrekening al is goedgekeurd. Fiscus. Onder het oude Wetboek van Vennootschappen (toen er eigenlijk geen regeling bestond) aanvaardde de fiscus de retroactiviteit onder 3 voorwaarden: De retroactiviteit mag de juiste toepassing van de belastingwetgeving niet in de weg staan. Ze stemt overeen met de werkelijkheid. En ze heeft betrekking op een korte periode. Voor de fiscus stond ‘een korte periode’ gelijk aan maximaal 7 maanden. Dat stond zo letterlijk in de administratieve onderrichtingen (COM.I.B.), maar ook tal van rulings bevestigden uitdrukkelijk dat een termijn van meer dan 7 maanden niet als een korte periode kon worden beschouwd. We moeten echter opmerken dat er ook enkele rulings waren die een termijn van meer dan 7 maanden toestonden omwille van uitzonderlijke omstandigheden. Wat nu met de nieuwe regel onder het WVV die zegt dat u mag teruggaan tot de eerste dag na de afsluiting van het boekjaar?Stel dat u in 2023 een vennootschap wil splitsen die afsluit op 31 december. Dan kan u vanuit boekhoudkundig oogpunt die splitsing tot eind december 2023 doorvoeren met als splitsingsdatum 1 januari 2023. Maar de fiscus zal u het (gunstige) fiscale stelsel voor herstructurering weigeren als u de beslissing neemt na 1 augustus. Minister brengt (on-)duidelijkheid . Het moet onderstreept worden dat de regel van 7 maanden die de fiscus toepaste, geen wettelijke regel was, maar ‘slechts’ een administratieve regel. De fiscus gaat ervan uit dat een termijn van meer dan 7 maanden retroactiviteit niet ‘normaal’ is. De wet laat nu wél een langere retroactiviteit toe. In antwoord op een parlementaire vraag lijkt de minister onrechtstreeks toe te geven dat de fiscale termijn van 7 maanden niet langer houdbaar is. Hij benadrukt dat de fiscus nog steeds vast houdt aan de 3 voorwaarden om de retroactiviteit van een vennootschapsakte te aanvaarden, waaronder ‘de kort periode’. Maar hij zegt ook dat de bepalingen van het WVV enkel betrekking op de boekhoudkundige retroactiviteit in geval van fusie of splitsing en dat die bepalingen geen wijziging inhouden in van de fiscale wetgeving. De belastingadministratie zal de retroactiviteit van vennootschapsakten enkel aanvaarden op voorwaarde dat die retroactiviteit ‘met de werkelijkheid overeenstemt’ en de retroactiviteit ‘geen afbreuk doet aan de toepassing van de fiscale wetgeving’. De minister vermeldt dus niet langer de termijn van 7 maanden, maar de vraag is toch of hij die termijn verlengt tot de boekhoudkundige maximumtermijn. Dat blijkt niet uit zijn antwoord. De administratie blijft dus wellicht vasthouden aan haar regel dat als de retroactiviteit meer dan 7 maanden bedraagt, dat per definitie niet beantwoordt aan de werkelijkheid. Op dat ogenblik is het aan de belastingplichtige om aan te tonen dat dat wél het geval is. Het lijkt dus aangewezen om bij een herstructurering die wat complexer is en die mogelijkerwijs lang aansleept, naar de rulingcommissie te stappen, die vandaag de dag ook al – al is het eerder uitzonderlijk – een langere termijn toestaat.

Lees meer
ABM logo tekst

Laadpalen: eerste wijziging aan nieuwe wetgeving

21.06.2022

De komende jaren verandert er heel wat op het vlak van de aftrekbaarheid van de beroepskosten van voertuigen. Wagens die op een fossiele brandstof rijden, verliezen de aftrek als beroepskosten. Elektrische wagens blijven wel fiscaal aftrekbaar. Om de omschakeling aan te moedigen, werkt de wetgever met wortel en stok, maar een nakende wetswijziging maakt de wortel al wat kleiner. Aftrek. De aftrek van bedrijfswagens (loonwagens, maar ook andere personenvoertuigen) wordt de komende jaren grondig hervormd. Voor personenwagens op fossiele brandstof wordt de aftrek vanaf 2026 afgeschaft. Vanaf 2026 zullen enkel 100%-elektrische wagens nog enige aftrek genieten, maar ook die zal in de loop van de jaren langzaam dalen om in 2032 (voorlopig?) te eindigen op 67,5%. Voor personenvoertuigen op fossiele brandstof die in de periode vóór 2026 worden aangekocht, geldt een overgangsregeling, waardoor de aftrek op nul komt vanaf 2028. Voor hybride personenwagens geldt een overgangsregeling die lichtjes afwijkt, maar voor de hybride wagens die aangekocht worden vanaf 2026 is de aftrek ook nul. Die regels gelden niet voor motoren (moto's) of lichte vrachtwagens (camionettes), omdat het aanbod aan elektrische voertuigen op dat vlak nog te beperkt is. Laadpalen . Een elektrische wagen is duurder in aankoop dan een klassiek diesel- of benzinevoertuig. Bovendien heeft u voor een elektrische wagen een laadpaal nodig. Elektrische wagens kunnen ook opgeladen worden aan een klassiek stopcontact, maar het vermogen van zo'n stopcontact is vaak te laag om het voertuig binnen een aanvaardbare tijd weer op te laden (7 à 8 uur per 100 km). Een aparte installatie is dus aangeraden. Om de installatie van de laadpalen haalbaar te maken, voorzag de wetgever in de wet waarin hij de aftrek als beroepskosten afschafte, dat er voor particulieren een belastingvermindering zou komen voor de installatie van een laadpaal. Voor beroepsmatig gebruikte laadpalen (laadpalen die u beschikbaar stelt aan uw personeel, aan uw klanten of aan derden, voorziet die wet in een verhoogde aftrek. Particulieren (eigenaars of huurders) die een laadpaal installeren tussen 1 september 2021 en 31 augustus 2024 krijgen een belastingvermindering. Bij installatie van de laadpaal tussen 1 september 2021 en 31 december 2022 bedraagt de belastingvermindering 45%. Van 1 januari 2023 tot 31 december 2023 nog slechts 30% en ten slotte nog 15% in geval van installatie tussen 1 januari 2024 en 31 augustus 2024. Het bedrag van de belastingvermindering is beperkt tot 1.500 euro per laadpaal en per belastingplichtige (niet geïndexeerd bedrag). Bedrijven - vennootschappen en zelfstandigen of vrije beroepers - krijgen geen belastingvermindering, maar een verhoogde kostenaftrek. Die aftrek bedraagt 200% voor aankopen tussen 1 september 2021 en 31 december 2022, en 150% voor aankopen tussen 1 januari 2023 en 31 augustus 2024.Belangrijke voorwaarde: het laadstation moet vrij toegankelijk zijn voor iedereen! Investeringsaftrek. In antwoord op een parlementaire vraag van eind 2021 stelde de minister dat deze verhoogde kostenaftrek in principe gecombineerd kan worden met de investeringsaftrek. Die bedraagt tot eind 2022 nog 25% (in het kader van de relance na de coronacrisis), maar na 2022 kan er voor dit soort van investeringen ook een beroep gedaan worden op de verhoogde investeringsaftrek voor zogenaamde milieuvriendelijke investeringen. Dat was op zich verrassend, omdat de investeringsaftrek in principe enkel mogelijk is als het gebruik van de investering niet wordt overgedragen aan derden en als het gebruik van de investering 100% beroepsmatig is. Maar voor de verhoogde kostenaftrek is één van de voorwaarden juist dat de laadpaal publiek toegankelijk móet zijn. De minister vond dat in zijn antwoord geen probleem en hij bevestigde dat de investeringsaftrek kan togepast worden voor laadpalen. Nieuw wetsontwerp. In de loop van april keurde de ministerraad echter een nieuw ontwerp van wet goed dat de laadpalen nu toch uitdrukkelijk zou uitsluiten van de investeringsaftrek als ze recht geven op een verhoogde kostenaftrek. Bedrijven die een laadpaal installeren, uitsluitend voor hun eigen voertuigen, zouden het recht op investeringsaftrek behouden. Maar als de verhoogde aftrek van toepassing is, is er geen investeringsaftrek mogelijk. Het is niet duidelijk of een investeringsaftrek mogelijk is als de laadpaal ook gebruikt mag worden door het personeel, hetzij voor hun privé-wagen, hetzij voor de salariswagen. Dat zal moeten blijken uit de uiteindelijke tekst. Kleinere wortel, maar wel wat langer. In het wetsontwerp, dat bij het redigeren van dit artikel nog niet was neergelegd bij het Parlement, wordt ook voorzien dat het aftrekpercentage van 200% niet tot eind 2022, maar tot 31 maart 2023 zou gelden. Blijkbaar ondervinden heel wat installateurs aanleveringsproblemen, zodat veel ondernemers al in april 2022 te horen kregen dat een installatie in 2022 niet meer mogelijk zou zijn. Over een verlenging van de totale duurtijd - dus tot na 31 augustus 2024 - wordt er voorlopig niet gesproken. Maar zoals ook dit wetsontwerp duidelijk maakt, is een termijn van 2 jaar in de fiscale wetgeving een eeuwigheid en kan er intussentijd veel veranderen!

Lees meer
ABM logo tekst

Vennootschappen en meerwaarden op aandelen: de participatievoorwaarde

17.06.2022

Meerwaarden op aandelen kunnen in de vennootschapsbelasting een vrijstelling genieten. Eén van de voorwaarden voor die vrijstelling is die van een minimale participatie. Als je de aandelen in pakketjes verkoopt, voldoe je op een bepaald moment niet meer aan die voorwaarde. Maar dat hoeft toch geen beletsel te zijn voor de vrijstelling. Vrijstelling voor meerwaarden op aandelen . De vrijstelling in de vennootschapsbelasting voor meerwaarden op aandelen vinden we terug in artikel 192, § 1, eerste lid van het WIB 92: meerwaarden op aandelen zijn volledig vrijgesteld in de mate dat de eventuele inkomsten van deze aandelen in aanmerking komen om krachtens de artikelen 202 en 203, van de winst te worden afgetrokken. De verwijzing naar de artikelen 202 en 203 is een verwijzing naar de vrijstelling wegens ‘definitief belaste inkomsten’: de dividenden die een vennootschap krijgt van een andere vennootschap kunnen onder bepaalde voorwaarden vrijgesteld zijn. Wat zijn dan die voorwaarden voor zowel de vrijstelling voor dividenden, als de vrijstelling voor meerwaarden? Op de datum van toekenning of betaalbaarstelling van de inkomsten bezit de verkrijgende vennootschap een deelneming van minstens 10% in het kapitaal van de uitkerende vennootschap of bezit ze een deelneming met een aanschaffingswaarde van ten minste 2.500.000 euro. Dit is de participatievoorwaarde. De inkomsten hebben betrekking op aandelen die gedurende een ononderbroken periode van ten minste één jaar in volle eigendom worden of werden behouden. Dat is de permanentievoorwaarde. De uitkerende vennootschap is onderworpen aan een normaal belastingregime. Dat is de taxatievoorwaarde. Verkoop in pakketjes . Een vennootschap heeft enkele aandelenpakketten in gewoon belaste vennootschappen. De verschillende aandelenpakketten hebben op zich een aanschaffingswaarde van meer dan 2.500.000 euro. Indien alle aandelen in één transactie worden overgedragen, zijn de meerwaarden vrijgesteld. Maar in dit concrete geval wordt elk aandelenpakket apart op de beurs aangeboden en worden de aandelenpakketten in ‘real life’ verkocht. Wat betekent dat de aandelen niet verkocht worden aan één en dezelfde koper, en ook niet op één en dezelfde beursdag. De vraag rijst dus hoe de participatievoorwaarde hier moet worden toegepast. Stel dat de vennootschap een aandelenpakket heeft met een aanschaffingswaarde van 4.000.000 euro en ze verkoopt op dag 1, de helft, dan is de aanschaffingswaarde van wat overblijft immers maar 2.000.000 euro en lijkt het erop dat het tweede pakket niet vrijgesteld kan worden. Beslissing tot verkoop . De fiscale rulingcommissie meent echter dat de vrijstelling toch mogelijk is voor het totale pakket, op basis van een aantal overwegingen. Een eerste belangrijk element is hier dat de verkopende vennootschap slechts 1 verkooporder plaatste, zonder specifieke instructies. Het was dus een éénmalige beslissing tot verkoop. Hieruit leidt de rulingcommissie al af dat de vennootschap de intentie had om het aandelenpakket volledig te verkopen. Een tweede vaststelling is dat de aandelen niet in één dag werden verkocht omdat de bank die het verkooporder plaatste, er de voorkeur aan gaf om de aandelen in verschillende delen op te splitsen omdat er voor een verkoop van het complete pakket op dat ogenblik geen vraag was. En als derde element houdt de rulingcommissie rekening met de relatief beperkte tijdspanne waarbinnen het totale pakket werd verkocht. Uit de verstrekte gegevens blijkt dat de bank 75% van de totale verkoopwaarde op één beursdag verkocht. De bank rechtvaardigde de termijn op basis van haar 'best execution'-verplichtingen.  De rulingcommissie concludeert dat de meerwaardevrijstelling toegekend kan worden (voor zover ook aan de overige voorwaarden voldaan is) omdat de aandelenpakketten met een aanschaffingswaarde van meer dan 2.500.000 EUR in navolging van één beslissing tot verkoop, zonder specifieke instructies, door de vennootschap te koop werden aangeboden, en het aandelenpakket vervolgens door tussenkomst van de bank in het kader van de best execution policy binnen een relatief beperkte tijdspanne verkocht werden aan verschillende kopers, in plaats van op één beursdag.  De verkoop van de kwalificerende participaties aan verschillende kopers, verspreid over verschillende dagen, kan voor de toepassing van artikel 192 van het WIB 92 als één verkoop beschouwd worden. Niet té soepel!. De rulingcommissie geeft zelf al aan dat men haar soepele standpunt niet te ruim moet zien. Ze merkt op dat vrijstelling niet mogelijk is als de aandelen van dezelfde emittent verkocht worden op een verschillend moment als gevolg van verschillende orders of verschillende beslissingen tot verkoop, waarbij de belastingplichtige dan van het begin niet de intentie heeft om alle aandelen op dat moment te verkopen. In een dergelijk geval zal de vrijstelling niet meer mogelijk zijn als door een eerdere verkoop van aandelen, de aanschaffingswaarde van de overblijvende aandelen gezakt is tot onder 2.500.000 EUR.

Lees meer
ABM logo tekst

De familiezaak overdragen: geen privégebouwen?

15.06.2022

In het Vlaamse gewest geldt er een bijzonder belastingregime voor overdracht van een handelszaak, hetzij door middel van een schenking, hetzij naar aanleiding van een overlijden. Volgens de fiscus is dat gunstregime niet van toepassing wanneer er ook privépatrimonium in de vennootschap zit. Maar het Gentse Hof van Beroep ziet dat anders. Patrimoniumvennootschap. In het Vlaamse gewest, maar ook in de andere gewesten, bestaat er een gunstregime voor overdracht bij leven of bij overlijden van een familiale onderneming. Voor schenking van een familiezaak bedraagt het tarief in rechte lijn 0%, terwijl voor vererving van een familiezaak het tarief 3% bedraagt. Dat gunstregime geldt zowel voor eenmanszaken, als voor familiale vennootschappen. In dat laatste geval geldt het verlaagd tarief dus voor de aandelen die geschonken of vererfd worden. De voordelige tarieven zijn niet van toepassing op het privépatrimonium. Bij een eenmanszaak betekent dit dat de tarieven enkel gelden voor de activa die ingezet werden voor de handelsactiviteit. Bij de vennootschappen wordt deze voorwaarde lichtjes anders verwoord: een vrijstelling of verlaagd tarief is slechts mogelijk voor een familiale vennootschap die een reële economische activiteit uitoefent.  Een vennootschap wordt vermoed géén reële economische activiteit te hebben als uit de balansposten blijkt dat in minstens één van de drie boekjaren voorafgaand aan het belastbaar feit, cumulatief aan de volgende voorwaarden is voldaan:  de bezoldigingen, sociale lasten en pensioenen zijn gelijk aan, of lager dan 1,50% van de totale activa; en  de terreinen en gebouwen maken meer dan 50% uit van het totale actief.  De wet bepaalt dat de verkrijger – erfgenaam of begiftigde – het tegenbewijs mag leveren, maar Vlabel liet in een omzendbrief van 2015 verstaan dat alle onroerende goederen die aanwezig zijn in de vennootschap moeten worden aangewend voor de economische activiteit van de vennootschap.Daarbovenop stelde Vlabel in diezelfde omzendbrief dat verhuring van een onroerend goed altijd beschouwd wordt als een vorm van privaat beheer van het patrimonium. Met andere woorden, als een vennootschap een woning in haar activa heeft en ze die woning verhuurt aan privépersonen, dan is de vennootschap meteen uitgesloten van de gunstregimes, omdat men niet meer mag bewijzen dat er een reële economische activiteit aanwezig is. Hof van beroep van Gent . Aan het hof van beroep van Gent werd een zaak voorgelegd van een slagerij die werd uitgebaat in de vorm van een vennootschap. De aandelen waren deels in eigendom van het gemeenschappelijke vermogen van vader en moeder, en deels van de zoon. De vader overlijdt en de erfgenamen (moeder en zoon) claimen het gunstregime van de familiale ondernemingen. Buiten de slagerij heeft de vennootschap heel wat onroerende goederen: een toonzaal, een handelshuis, bouwlanden en weilanden, bos, een hoeve, een villa, appartementen aan zee, enz. De erfgenamen tonen aan dat de inkomsten van de slagerij zowat drie keer hoger zijn dan de inkomsten van die onroerende goederen. Maar, zoals hierboven al geschetst werd, is de Vlaamse belastingdienst van mening dat zodra er privé-patrimonium (waaronder verhuurder onroerende goederen) in de vennootschap zit, er geen reële economische activiteit in de vennootschap is en het tegenbewijs niet geleverd kan worden. Het Hof volgt echter de redenering van de erfgenamen. Wie de wettekst erop naslaat, zal zien dat de verkrijger steeds de mogelijkheid heeft om aan te tonen dat er ‘reële economische activiteit’ aanwezig is. Het feit dat er privépatrimonium aanwezig is in de vennootschap, wordt door niemand betwist. Ook het gegeven dat verhuring van onroerende goederen niet als een economische activiteit wordt gezien, wordt niet betwist. Vlabel en de erfgenamen zijn het enkel niet akkoord over de discussie of tegenbewijs is toegelaten, of niet. Pro rata . Uiteindelijk stelt het Hof de partijen de vraag of ze eens willen nadenken over de mogelijkheid om de uitsluiting van het gunstregime te beperken wat de aandelen betreft die betrekking hebben op dat privépatrimonium, en het gunstregime dus wel toe te passen op het deel van de nalatenschap dat werkelijk tot de economische activiteit behoort. Terecht stelt het Hof vast dat als deze situatie zich zou hebben voorgedaan in een eenmanszaak, het verlaagd tarief wel van toepassing zou zijn op de goederen die voor de economische activiteit worden gebruikt (met uitsluiting van de onroerende goederen die hoofdzakelijk tot bewoning worden aangewend of worden bestemd) en niet voor de andere goederen. Nu het gaat om de vererving van de aandelen van een familiale vennootschap, met een reële economische activiteit maar met een aanzienlijke hoeveelheid terreinen en gebouwen die niet (of slechts gedeeltelijk) voor die economische activiteit worden gebruikt, is het gunstregime helemaal uitgesloten. Het Hof vraagt de partijen dus om te overwegen of er hier geen reden is om een prejudiciële vraag te stellen aan het Grondwettelijk Hof. Decreetgever grijpt in . Intussen werd in het Vlaams Parlement al een voorstel van decreet ingediend, waardoor de Vlaamse wetgeving letterlijk zou bepalen dat vennootschappen uitgesloten zijn van het gunstregime zodra zich onroerende goederen in de vennootschap bevinden die hoofdzakelijk voor private bewoning aangewend of bestemd zijn. Dat zou de huidige positie van Vlabel een wettelijke grondslag bieden. 

Lees meer
ABM logo tekst

Woning als vorm van loon

13.06.2022

Als de vennootschap een kost draagt die de bedrijfsleider ten goede komt, kán die uitgave volgens de bezoldigingstheorie beschouwd worden als een vergoeding voor het geleverde werk. Onder voorwaarden. Het Hof van Beroep van Antwerpen besliste onlangs dat een stijging van de omzet een goed argument is in die discussie. Privéwoning in de vennootschap. Een neurochirurg voert zijn praktijk via een BV. De privéwoning van de chirurg zit in de vennootschap. De maatschappelijke zetel van de BV is gevestigd in het gebouw, zodat 20% van het gebouw ook effectief voor de beroepsdoeleinden van de vennootschap wordt gebruikt.  De BV brengt echter wel de onderhoudskosten en afschrijvingen voor 100% in aftrek.De fiscus aanvaardde aanvankelijk die kosten op basis van de bezoldigingstheorie: de inkomsten van de vennootschap stegen in de jaren na aankoop van de woning. Vervolgens krijgt de chirurg een loonsverhoging van 75.000 euro. De fiscus meent dat er geen bijzondere reden is voor deze loonsverhoging en meent dus dat de terbeschikkingstelling van de woning niet langer als een vergoeding van de prestaties kan worden gezien, nu het loon de eigenlijke vergoeding geworden is. Bezoldigingstheorie in de rechtspraak . Wat zegt de bezoldigingstheorie eigenlijk? Ook voor vennootschappen geldt dat een uitgave maar aftrekbaar is als ze gedaan werd om inkomsten te verwerven of te behouden. Als een vennootschap dus iets wegschenkt, dan is dat geen aftrekbare uitgave. Dat geldt ook voor privé-uitgaven van de bestuurder die door de vennootschap gedragen worden. En een typisch voorbeeld daarvan is de woning waarin de bestuurder mag wonen. Geleidelijk ontstond echter het argument dat die privé-uitgave (lees: woning) ten laste van de vennootschap, eigenlijk ook een vorm van verloning is voor de bestuurder. Namelijk: een bezoldiging in natura.  Onder impuls van de rechtspraak van het Hof van Cassatie aanvaarden de rechtbanken vandaag de dag de bezoldigingstheorie als de belastingplichtige kan aantonen dat de woning specifiek ter beschikking wordt gesteld als een vergoeding voor de werkelijke prestaties van de bedrijfsleider. De rechtbanken lijken dat eerder formalistisch in te vullen: de algemene vergadering moet de verloningspolitiek goedkeuren. Maar in de zaak van de neurochirurg baseerden de rechtbank van eerste aanleg en daarna het hof van beroep zich niet alleen of zelfs maar in beperkte mate op de formele beslissing van de algemene vergadering. Als tweede element werd er ook gekeken naar de omzet van de vennootschap. Effectieve prestatie . Het hof wijst de claim van de fiscus dus af.In eerste instantie argumenteert de fiscus dat de notulen van de algemene vergadering eigenlijk niet duidelijk vermelden dat de woning ter beschikking gesteld wordt in ruil voor de prestaties. Het hof meent echter dat dit formalistisch argument niet te streng moet worden toegepast. Een algemene verwijzing naar het verloningsbeleid lijkt voor het hof voldoende te zijn. Belangrijker voor het hof is dat de omzet van de vennootschap uitsluitend gerealiseerd wordt door de bestuurder/chirurg. Er zijn geen andere medewerkers; er is geen andere bestuurder. Daaruit leidt het hof af dat de gerealiseerde omzet rechtstreeks en uitsluitend het resultaat was van de prestaties van de bestuurder. Die omzet was trouwens gestegen, wat enkel verklaard kan worden door een toename van de prestaties van de dokter. De fiscus reageerde op deze redenering door erop te wijzen dat de winst daalde. Maar het hof vindt dat niet relevant, want een lagere winst kan allerlei oorzaken hebben. Vergoeding. Het Hof van beroep van Antwerpen meent dat de fiscus geen oordeel mag vellen over de manier waarop de vennootschap de bestuurder vergoedt. Of dat nu in geld gebeurt, dan wel in natura via een woning – dat is de vrije keuze van de vennootschap en ze moet dat niet verantwoorden. Ook de hoogte van de vergoeding is niet relevant. Wel mag de vergoeding niet dermate hoog zijn dat het een vrijgevigheid wordt. Er moeten ook werkelijke prestaties tegenover staan. Maar verder is de omvang van de vergoeding een autonome beslissing van de vennootschap.  Formalisme in combinatie met realiteit . Het arrest lijkt een nieuwe tendens in te luiden waarbij het formalisme minder belangrijk wordt en er meer gekeken wordt of er tegenover de bezoldiging in natura, ook effectieve prestaties staan. Als er maar één bestuurder is en geen andere werknemers, dan is het volgens deze rechtspraak evident dat het toegekende voordeel een bezoldiging vormt voor de prestatie. Het enige punt waar de fiscus dan kan op reageren is de hoogte van de vergoeding. Hoewel de omvang van de bezoldiging ook een beslissing is die aan de vennootschap toekomt, moeten er wel werkelijke prestaties tegenover staan.

Lees meer
ABM logo tekst

6% btw voor afbraak en heropbouw door 'eenzelfde' persoon

10.06.2022

Bouwwerkzaamheden zijn onderworpen aan het gewone btw-tarief van 21%. Daar zijn enkele uitzonderingen op, zoals bij de verbouwing van een oude woning; het tarief is dan slechts 6%. Eind april 2021 kwam er een uitzondering bij: de sloop en wederopbouw van een woning. Maar de sloop en de wederopbouw moeten door één en dezelfde persoon verricht worden. Sloop en wederopbouw . Als u als particulier een woning laat verbouwen, kan u een btw-tarief van 6% genieten als de woning minstens 10 jaar oud is. Voor bepaalde werkzaamheden moet de woning 15 jaar oud zijn. Maar niet elke verbouwing kwalificeert voor dat verlaagd tarief. In principe kan er maar sprake zijn van een verbouwing als de basisstructuur van het gebouw behouden blijft. Als u het gebouw sloopt en vervolgens weer opbouwt is dat geen verbouwing, maar een nieuwbouw en zijn beide werkzaamheden onderworpen aan een tarief van 21%. Het tarief van 6% is wel mogelijk voor sloop met wederopbouw in 32 specifieke steden. Dat heeft alles te maken met stadsvernieuwing.  Eind 2020 besloot de regering om het tarief van 6% voor sloop met wederopbouw open te stellen over heel België. Er zijn wel wat voorwaarden: een maximale oppervlakte, een bewoningsverplichting,... Met deze uitbreiding streeft de regering drie doelstellingen na: een relance van de bouwsector, betere toegang tot kwaliteitsvolle woningen voor kwetsbare personen en vervanging van oude gebouwen door ecologisch kwaliteitsvolle gebouwen. De maatregel is tijdelijk. Aanvankelijk was voorzien dat het verlaagd tarief zou gelden tot 31 december 2022, maar de maatregel werd onlangs met 1 jaar verlengd. Sloper en bouwer zijn één en dezelfde persoon . Eén van de voorwaarden voor het 6%-tarief is dat de afbraak van het bestaande gebouw en de heropbouw van de nieuwbouw moeten gebeuren door 'dezelfde' persoon. Stel dus dat eigenaar X het gebouw sloopt, hij het bouwterrein verkoopt aan Y, en Y een nieuwbouw plaatst, dan is het verlaagd tarief dus niet van toepassing. Een bouwonderneming diende bij het Grondwettelijk Hof een verzoek tot nietigverklaring in van deze voorwaarde.  Volgens de bouwonderneming bestaat er een discriminatie tussen de bouwpromotor die een bouwgrond koopt van iemand die het gebouw heeft platgegooid om het vervolgens als bouwgrond te kunnen verkopen, en de bouwpromotor die de grond en het gebouw zelf koopt om het gebouw plat te gooien en een nieuwbouw te plaatsen. Het Grondwettelijk Hof wijst het verzoek echter af. Het onderscheid dat gecreëerd wordt, betekent geen onevenredige last voor bouwpromotoren die gronden kopen waarop een gebouw stond dat door de vorige eigenaar werd afgebroken. Het onderscheid impliceert immers slechts dat de kopers het normale btw-tarief van 21 % verschuldigd zijn (aldus het Hof). Het Hof erkent nog wel dat er een concurrentieel nadeel kan ontstaan tussen bouwpromotoren die hun nieuwbouwprojecten met toepassing van het verlaagd btw-tarief kunnen verkopen, maar de maatregel maakt het voor hen niet buitensporig moeilijk of onmogelijk om een nieuwbouwproject te realiseren of om de gerealiseerde wooneenheden te verkopen. Administratieve tolerantie . De belastingadministratie past de regel dat de sloop en de heropbouw door dezelfde persoon moeten verricht worden, ook niet voor de volle 100% toe. In een circulaire van 25 februari 2021 valt te lezen dat het verlaagd tarief ook kan worden toegepast op projecten waarin de afbraak gebeurde door de grondeigenaar en de herbouw wordt gerealiseerd door een bouwpromotor. De administratie laat dat toe onder 3 cumulatieve voorwaarden: er heeft zich vóór 1 januari 2021 een oorzaak van opeisbaarheid van de btw voorgedaan; er is sprake van ‘eenheid van project’; en  de grondeigenaar en de bouwpromotor zijn ‘verbonden partijen’. De toegeving zal dus concreet spelen als de sloop startte vóór 2021 en de grondeigenaar en de bouwpromotor gezamenlijk een globaal project hadden met als doel de afbraak van het gebouw door de grondeigenaar en het verlenen van een zakelijk recht en wederopbouw van woningen door de bouwpromotor. De eiser haalde deze administratieve tolerantie ook aan voor het Grondwettelijk Hof, maar aangezien dat een administratieve regel is en geen wet, mag het Hof met dat argument geen rekening houden.

Lees meer
ABM logo tekst

Belang van de bestelknop op uw website

01.06.2022

Als u op uw website de mogelijkheid biedt om goederen of diensten te bestellen, dan moet u de consument waarschuwen dat hij een betalingsverplichting heeft zodra hij op de bestelknop drukt. Voldoet u niet aan die informatieplicht, dan kan u niet alleen een boete krijgen, maar loopt u ook nog eens de kans dat u voor de bestelde goederen of diensten geen betaling kan eisen. Boekingssite. Een Duits hotelressort heeft een website waarop u kamers kan boeken via gespecialiseerde boekingssites. ‘A’ is een consument die een hotel vindt via zo’n boekingssite. Hij klikt op de afbeelding zodat hij kan zien of er nog kamers beschikbaar zijn, bekijkt bijkomende informatie over de faciliteiten die het hotel aanbiedt en zoekt uiteraard ook naar de prijs. ‘A’ boekt op 19 juli 2018 4 dubbele kamers in het hotel, voor de periode 28 mei 2019 tot 2 juni 2019. Hij doet dat door op de knop ‘Ik ga boeken’ te klikken en door vervolgens zijn eigen persoonsgegevens en die van de andere gasten in te vullen en door op de knop ‘Voltooi boeking’ te klikken. Maar op 28 mei daagt ‘A’ niet op. Het hotel rekent hem annuleringskosten aan, conform de algemene voorwaarden, en vraagt aan ‘A’ om 2.240 euro te betalen, binnen 5 werkdagen. Vermits dat niet gebeurt, stapt de hoteleigenaar naar de rechtbank. ‘Bestelling met betalingsverplichting’. Volgens de Europese richtlijn 2011/831 moet een handelaar bij een verkoop op afstand op elektronische wijze – dus via een website – twee verplichtingen naleven vooraleer een bestelling wordt afgesloten: de handelaar moet onmiddellijk vóór het plaatsen van de bestelling de essentiële informatie over de overeenkomst verstrekken; én de handelaar moet de klant uitdrukkelijk informeren dat hij door een bestelling te plaatsen, een betalingsverplichting aangaat.Werd die laatste verplichting wel nageleefd?  Het dossier komt voor het Europees Hof van Justitie en dat oordeelt dat op de bestelknop, of op een soortgelijke functie, een goed leesbare en ondubbelzinnige vermelding moet worden aangebracht waaruit blijkt dat het plaatsen van de bestelling voor de consument een verplichting inhoudt om de handelaar te betalen.  In de richtlijn wordt uitdrukkelijk de term ‘Bestelling met betalingsverplichting’ gebruikt, maar dat is slechts een voorbeeld. De lidstaten mogen andere formuleringen opleggen, zolang die maar op ondubbelzinnige wijze aangeven dat er een betalingsverplichting ontstaat. Duitse (en Belgische) implementatie. In dit (Duitse) geval had de nationale wetgever geen andere, en dus ook geen meer precieze voorbeelden opgenomen van mogelijke overeenkomstige formuleringen. Daaruit kunnen we afleiden dat de handelaar vrij mag kiezen hoe hij de betalingsverplichting formuleert, zolang het maar duidelijk is dat wie op de bestelknop drukt, een betalingsverplichting aangaat. De Duitse rechter wou dan ook van het Europees Hof van Justitie vernemen of de formulering ‘Voltooi boeking’, wel overeenkomt met de woorden ‘Bestelling met betalingsverplichting’. Moet de term ‘Bestelling met betalingsverplichting’ uitdrukkelijk overgenomen worden? Of mag er ook gekeken worden naar de omstandigheden van het bestelproces? Het Europees Hof lijkt hier een strikt standpunt in te nemen: de betrokken formulering moet op de knop of de soortgelijke functie staan: om te oordelen of de handelaar aan zijn verplichting voldoet, mag men alleen rekening houden met de woorden óp die knop of soortgelijke functie. En het komt aan de nationale rechter toe om te oordelen of, in de omgangstaal en in de ogen van een normaal geïnformeerde en redelijk voorzichtige en oplettende gemiddelde consument, de formulering ‘Voltooi de boeking’ noodzakelijkerwijs en stelselmatig in verband wordt gebracht met het ontstaan van een betalingsverplichting. Ook in ons land bestaan er geen specifieke regels voor de formulering op de bestelknop. Maar het lijkt erop dat u de minste kans op ambiguïteit over de betalingsverplichting maar beter vermijdt. 

Lees meer
ABM logo tekst

Modernisering van het consumentenrecht

30.05.2022

In een wet van 20 maart 2022 werden 2 richtlijnen omgezet in Belgisch recht. Die brengen belangrijke wijzigingen in het consumentenrecht aan, voor wat de verkoop van goederen met een digitaal element betreft en voor wat de verkoop van digitale inhoud en digitale diensten betreft. Omdat het een Europees initiatief is, gelden de nieuwe regels overal in Europa, maar niet daarbuiten. In Belgisch recht. In 2011 werden op Europees niveau de eerste initiatieven genomen om het consumentenrecht aan te passen aan de digitale markt. In de loop van 2015 kwamen daar twee voorstellen van richtlijn uit voort. Het ene voorstel moest bepaalde aspecten van de overeenkomsten voor de levering van digitale inhoud regelen. Het andere voorstel focuste op sommige aspecten van de overeenkomsten voor online-verkoop en de andere verkopen op afstand van goederen; het voorstel werd uiteindelijk uitgebreid tot alle verkoopkanalen. Beide richtlijnen werden in de eerste helft van 2019 definitief. Ze werden onlangs omgezet in Belgisch recht. Dat gebeurde op 31 maart 2022, met een wet van 20 maart 2022, die op 1 juni 2022 in werking zal treden. De wet bevat twee grote luiken. In het ene luik worden de regels omtrent de verkoop van goederen gemoderniseerd. Het andere luik voegt een nieuwe titel toe aan het oud Burgerlijk Wetboek rond de verkoop van digitale inhoud en diensten. Luik 1: Verkoop van goederen met een digitaal element. Het gaat hier om de slimme thermostaat in uw huis, de smartwatch aan uw pols... Een hoofdregel bij dit type van overeenkomsten is dat de verkoper aan de koper een zaak moet leveren die in overeenstemming is met de overeenkomst: Het goed moet overeenstemmen met de beschrijving van de verkoper, in ruime zin, (omschrijving, type, hoeveelheid, kwaliteit, functionaliteit, compatibiliteit en interoperabiliteit). Het goed moet overeenstemmen met elk bijzonder, door de consument gewenst gebruik, op voorwaarde dat zulks uiterlijk bij het sluiten van de overeenkomst is meegedeeld aan de verkoper en die laatstgenoemde heeft aanvaard. Het goed moet worden geleverd samen met al het toebehoren en alle instructies, met inbegrip van de installatie-instructies, zoals bepaald in de overeenkomst. Het goed moet van updates worden voorzien, zoals bepaald in de overeenkomst. Volgens de nieuwe regels blijft de verkoper aansprakelijk voor elk conformiteitsgebrek dat bestaat bij de levering van de goederen en dat aan het licht komt binnen 2 jaar na levering. Dat is een belangrijke uitbreiding. Tot nog toe werd een gebrek dat zich binnen een periode van 6 maanden na de levering voordoet, vermoed al aanwezig geweest te zijn bij de levering. Die termijn wordt nu dus opgetrokken tot 2 jaar. Dit is een weerlegbaar vermoeden. Het is aan de verkoper om aan te tonen dat er een andere reden is voor het defect.De regel dat de consument de verkoper moet verwittigen binnen de 2 maanden, blijft wel gewoon behouden. Verder moet de verkoper van dit soort goederen er ook voor zorgen dat de goederen ‘conform’ blijven. Dit betekent dat hij moet zorgen voor de updates (zoals beveiligingsupdates) die nodig zijn om conform te blijven en die de consument redelijkerwijze kan verwachten. De verplichting van de verkoper is dus beperkt tot de updates die noodzakelijk zijn voor het behoud van de conformiteit van dergelijke goederen met de objectieve en subjectieve conformiteitsvereisten. Bij een sporthorloge met gps-tracking mag de consument bijvoorbeeld verwachten dat de gps-gegevens regelmatig een update krijgen. Maar upgrades die worden toegepast op nieuwere horloges en die op zich geen impact hebben op de conformiteit van het sporthorloge dat de consument kocht, horen daar niet bij. Ten slotte moet het goed ook ‘duurzaam’ zijn. Ook hier hangt veel af van de aard van de gekochte goederen en wat de verkoper (of de producent) er over verteld heeft. Als het goed een conformiteitsgebrek vertoont – het doet niet wat overeengekomen werd – dan zijn er drie mogelijkheden: De consument vraagt dat het goed hersteld of vervangen wordt (tenzij dit niet mogelijk is of het de verkoper op onevenredige kosten zou jagen). De consument krijgt een evenredige prijsvermindering. De koopovereenkomst wordt ontbonden (de verkoper neemt het goed terug en betaalt de consument terug). Luik 2: Verkoop van digitale inhoud en diensten. De verkoop van digitale inhoud en digitale diensten omvat zaken zoals: computerprogramma’s, applicaties, videobestanden, audiobestanden, muziekbestanden, digitale spellen, e-boeken of andere e-publicaties; en digitale diensten die de totstandkoming en de verwerking van, de toegang tot, of de opslag van gegevens in digitale vorm mogelijk maken, met inbegrip van software als dienst, zoals het delen van video- en audiomateriaal en andere diensten voor het hosten van bestanden, tekstverwerking of spellen die worden aangeboden in de ‘cloud computing’-omgeving en op social media. Internettoegangsdiensten vallen er niet onder. Digitale kansspelen, online-financiële diensten of digitale inhoud die verleend wordt door de overheid, vallen er ook niet onder. In het oude Burgerlijk Wetboek komt een volledig nieuwe Titel VIbis ‘Overeenkomsten voor de levering van digitale inhoud en digitale diensten’.Deze nieuwe titel omschrijft de conformiteitsvereisten waaraan de inhoud of dienst moet voldoen.  De garantietermijn voor digitale inhoud en diensten bedraagt ook 2 jaar. Maar het vermoeden dat het gebrek aanwezig was bij de levering geldt enkel als het gebrek zich voordoet binnen het 1e jaar na de levering. In die periode moet de handelaar het tegendeel bewijzen.De consument moet zijn rechtsvordering inroepen binnen 1 jaar vanaf de dag waarop hij het conformiteitsgebrek vaststelde. In principe en tenzij anders overeengekomen, moet de verkoper de digitale inhoud of diensten meteen leveren. Gebeurt dat niet, dan moet de consument de handelaar aanmanen om alsnog te leveren. Als dat dan nog niet gebeurt, heeft de consument het recht om de overeenkomst te ontbinden. In geval van een conformiteitsgebrek heeft de consument het recht om: de digitale inhoud of digitale dienst conform te laten maken; een evenredige prijsvermindering te krijgen; of de overeenkomst te ontbinden. Een beetje onbekend is dat door deze wetswijziging de handelaar die aansprakelijk is (hetzij wegens niet-levering, hetzij wegens een conformiteitsgebrek) het recht heeft om verhaal te halen op de in de overeenkomstenketen aansprakelijke persoon of personen zonder dat een contractueel beding die aansprakelijkheid kan beperken of uitsluiten. Belangrijke wijziging. Omwille van zijn complexiteit is deze wetswijziging een beetje op de achtergrond gebleven. De gevolgen zijn echter vergaand en het is niet mogelijk om via kleine lettertjes op de achterkant van de bestelbon de wettelijke aansprakelijkheid te omzeilen.

Lees meer
ABM logo tekst

Bijzondere bijdrage voor sociale zekerheid verdwijnt geleidelijk

27.05.2022

Bovenop de gewone socialezekerheidsbijdragen zijn de werknemers ook onderworpen aan een bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid (BBSZ). In het kader van de mini-taxshift werd besloten om die BBSZ af te schaffen. Maar dat gaat geleidelijk. Voorlopig moeten we tevreden zijn met een verlaging. BBSZ. De bijzondere bijdrage voor de sociale zekerheid werd in 1994 ingevoerd in het kader van het Globaal Plan van de regering-Dehaene I, dat gericht was op de sanering van de overheidsfinanciën en de verhoging van de financiering van de sociale zekerheid. De maandelijkse inhouding wordt berekend op het kwartaalloon van de werknemer. Daartoe wordt gekeken naar het brutoloon van de werknemer (aan 108% voor de handarbeiders) dat bij de RSZ per kwartaal wordt aangegeven. Heeft de werknemer meer dan 1 werkgever, dan houdt men geen rekening met het loon betaald door de andere werkgever(s).Het dubbel vakantiegeld is geen loon en komt niet in aanmerking om uit te maken in welke schijf van de bijzondere bijdrage de werknemer valt. Ook loongedeelten waarvan de werkgever het bedrag niet kon vaststellen op het ogenblik van de aangifte (bv. loonachterstallen), komen niet in aanmerking.Het gedeelte van het loon dat uitbetaald wordt door een derde (bv. een fonds voor bestaanszekerheid), komt wél in aanmerking. De bijzondere bijdrage wordt maandelijks afgetrokken van het loon, maar dat is slechts een vooruitbetaling van de uiteindelijke verschuldigde som. Het definitieve bedrag wordt bepaald aan de hand van de aangifte in de personenbelasting van de werknemer. Op dat ogenblik kan er ook rekening worden gehouden met het belastbare netto-inkomen van het gezin. Het bedrag van de bijdrage is immers verschillend naargelang het gaat om een alleenstaande, dan wel om samenwonenden of gehuwden met twee inkomsten. De BBSZ op jaarbasis wordt momenteel als volgt bepaald: Gezinsinkomen . 18.592,02 euro ≤ Gezinsinkomen . 21.070,96 euro ≤ Gezinsinkomen . 60.161,85 euro ≤ Gezinsinkomen: 731,28 euro. De inkomensgrenzen voor de berekening van de BBSZ worden niet geïndexeerd. Mini-taxshift. Als eerste stap in de richting van de afschaffing van de BBSZ, wordt het tarief van 9% voor de inkomensschijf van 18.592,02 euro tot 21 070,96 euro verlaagd naar 5%. Er wordt voortaan ook een onderscheid gemaakt tussen belastingplichtigen voor wie een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, en belastingplichtigen die alleen worden belast. Voor wie alleen wordt belast:- blijft het percentage van 1,3% van toepassing op de inkomensschijf van 21.070,96 euro tot 37.344 euro;- wordt het percentage van 1,3% verhoogd naar 4,0090% voor de inkomensschijf tussen 37.344 euro en 40.997,26 euro; en - blijft de BBSZ ongewijzigd voor wie alleen wordt belast en een gezinsinkomen heeft dat meer bedraagt dan 40.997,26 euro. Bij een gemeenschappelijke aanslag:- blijft het percentage van 1,3% van toepassing op de inkomensschijf tussen 21.070,96 euro en 60.181,95 euro;- zal de BBSZ gelijk zijn aan 632,39 euro wanneer het gezinsinkomen begrepen is in de schijf van 60.181,95 euro tot 74.688 euro;- is de BBSZ gelijk aan 632,39 euro, verhoogd met 1,3629% van het gedeelte van het gezinsinkomen boven 74.688 euro wanneer het gezinsinkomen begrepen is tussen 74.688,01 euro en 81.944 euro. Hier wordt de verlaging van de BBSZ dus geleidelijk afgebouwd. De maximumbijdrage blijft behouden op 731,28 euro.  Voor belastingplichtigen die als alleenstaande worden belast, wordt de maximumbijdrage van 731,28 euro bereikt bij een gezinsinkomen van 60.181,95 euro (zoals in de huidige berekening), terwijl voor belastingplichtigen voor wie een gemeenschappelijke aanslag wordt gevestigd, de maximumbijdrage bereikt wordt bij een gezinsinkomen van 81.994 euro. 4 fasen. De minister verklaarde in 2021 al dat het de bedoeling is dat de bijdrage uitdooft in vier fasen, gelijklopend met de verhoging van het minimumloon: in 2022, 2024, 2026 en 2028. Fase 1 is dus al afgerond, maar we moeten toch opmerken dat dit slechts een eerste, kleine stap is. Wie een inkomen heeft van meer dan 21.070,96 euro, maar niet meer dan pakweg 40.000 euro, krijgt de maximale verlaging. Dat is dan het verschil tussen 9% en 5% van 21.070,96 euro (en dat is zowat 99 euro). Boven die grenzen stijgt het tarief lichtjes zodat de verlaging ook weer langzaam wordt afgebouwd. Vermits de maximumbijdrage gewoon behouden blijft, is er geen verlaging voor de hogere inkomsten. De maximumgrens wordt gewoon wat later bereikt.

Lees meer
ABM logo tekst

Nieuw in de aangifte PB voor aanslagjaar 2022

25.05.2022

Weldra is het zover: de jaarlijkse nationale invuloefening. Hoewel veel posten al vooraf ingevuld zijn, blijft het toch een moeilijke opdracht. Fiscale regelingen worden afgeschaft, maar blijven doorlopen voor het verleden; er komen nieuwigheden bij en dat alles maakt de aangifte elk jaar ingewikkelder. Waar moet u dit jaar op letten? Vak II. Persoonlijke gegevens en gezinslasten. Voor personen ten laste krijgt u een toeslag op uw belastingvrije som. Personen ten laste zijn niet alleen de kinderen. Ook ascendenten (ouders, grootouders) en zijverwanten kunnen personen ten laste zijn. Voor een 'gehandicapte' ascendent of zijverwant wordt de toeslag verdubbeld. In 2020 werd de toeslag verhoogd, maar wordt die nog enkel toegestaan als de ascendent of zijverwant 'zorgbehoevend' is. Dat betekent dat de 'graad van zelfredzaamheid' van die persoon ten minste 9 punten moet bedragen. De nieuwe voorwaarde geldt vanaf aanslagjaar 2022 en reflecteert zich dus nu voor het eerst in de aangifte.  Maar er is een overgangsregeling waarbij in de oude regeling (niet zorgbehoevend, maar wel gehandicapt) het oude (lagere) bedrag van toepassing blijft. Het komt er dus op aan de juiste vakjes in te vullen in de aangifte. Vak III. Inkomsten van onroerende goederen. Een héél belangrijke nieuwigheid is de aangifteplicht voor de inkomsten uit buitenlandse onroerende goederen. De inkomsten van buitenlandse oorsprong moeten vanaf nu in dezelfde rubriek worden ingevuld als de inkomsten van Belgische oorsprong. In een tweede deel van dat vak moet u apart nog gegevens vermelden met betrekking tot sommige inkomsten van buitenlandse onroerende goederen. Die bijkomende gegevens zijn belangrijk, omdat ze ervoor zorgen dat u eventueel een vrijstelling kan genieten voor de betrokken inkomsten. Vak IV. Wedden, lonen, vervangingsinkomsten,.... Vak IV bevat een nieuwe code voor de zogenaamde relance-uren (dus de vrijwillige overuren bovenop het gewone contingent van 100 vrijwillige overuren). Het valt te verwachten dat die gegevens vooraf ingevuld zijn. Zelfstandigen die tussen 1 oktober 2020 en 30 april 2021 in het kader van bepaalde tijdelijke maatregelen n.a.v. de coronacrisis minstens zes maandelijkse financiële uitkeringen in het kader van het overbruggingsrecht hebben genoten, hebben recht op een eenmalige premie van 598,81 euro (bruto). Die premie moeten zij aangeven bij de vervangingsinkomsten in vak IV – en dus niet in deel 2 van de aangifte bij de winsten en baten! Voor de meeste buitenlandse inkomsten geldt een belastingvermindering. In principe is dat een vrijstelling met progressievoorbehoud (als er een verdrag is), of een 50%-vrijstelling (als er geen verdrag is). Uitzonderlijk kan de vrijstelling ook volledig zijn. Het gaat concreet om inkomsten uit een verdragsland die in België afzonderlijk belastbaar zouden zijn, maar die krachtens het toepasselijke dubbelbelastingverdrag híer moeten worden vrijgesteld. In dat geval geldt er een vrijstelling zonder progressievoorbehoud en dat wordt gerealiseerd door de inkomsten aan te geven bij de inkomsten waarvoor ‘de afzonderlijke belasting tegen de aanslagvoet van 0 %’ geldt. Vak X. Belastingverminderingen. Ook in het vak belastingverminderingen noteren we enkele wijzigingen. Zo is er een nieuwe rubriek voorzien voor uitgaven met betrekking tot de installatie van een vast laadstation voor elektrische wagens in, of bij de woning. Wie snel besliste, kon in 2021 nog zo’n installatie laten installeren. Dateert de factuur van 2021, dan kan u een belastingvermindering van 45% genieten. Verder werd er een rubriek ingevoerd voor verhuurders die naar aanleiding van Covid-19 hun huurder in 2021 vrijwillig kwijtschelding verleenden van de huurprijs en huurvoordelen voor een aantal maanden. Er zijn 2 series codes, want de maatregel liep eerst van maart tot mei 2021, maar werd nadien verlengd van juni tot september, onder andere voorwaarden. Veel codes. De nieuwste aangifte bevat opnieuw meer codes dan de vorige: 44 méér om precies te zijn. Een aangifte bevat nu meer dan 830 codes. Gelukkig zijn heel wat van die codes vooraf ingevuld, maar het zijn precies de codes waar u een keuze moet maken of zelf beperkingen moeten berekenen, waar de belastingplichtige aan zijn lot wordt overgelaten. Een simpeler aangifte kan alleen maar door de zogenaamde ‘fiscale koterijen’ af te schaffen, maar zo’n vereenvoudiging zal altijd winnaars en verliezers kennen.

Lees meer
ABM logo tekst

Een minnelijke schikking is geen aftrekbare beroepskost

20.05.2022

Sancties en boetes zijn over het algemeen niet aftrekbaar. Ook niet als zij gerelateerd zijn aan de beroepsactiviteit. Die niet-aftrekbaarheid werd ingevoerd om het effect van de sanctie niet te laten verwateren. Maar minnelijke schikkingen leken niet onder die regel te vallen. Dat verandert in 2022. Het algemene principe. De niet-aftrekbaarheid van boetes wordt in het Wetboek van inkomstenbelastingen 1992 als volgt beschreven. Zijn niet-aftrekbaar: geldboeten, met inbegrip van transactionele geldboeten, administratieve geldboeten opgelegd door overheden, zelfs wanneer deze geldboeten niet het karakter van een strafrechtelijke sanctie hebben en zelfs wanneer hun bedrag is berekend op basis van een aftrekbare belasting, verbeurdverklaringen en straffen van alle aard. Ook wanneer een werknemer een boete oploopt en de werkgever die betaalt, is de boete niet aftrekbaar. Die niet-aftrekbaarheid moet wel genuanceerd worden. Belastingverhogingen zijn wél aftrekbaar als de belasting zelf ook aftrekbaar is (bijvoorbeeld de onroerende voorheffing).Ook voor nalatigheidsinteresten op belastingen en sociale bijdragen geldt het principe van ‘de bijzaak volgt de hoofdzaak’, waarbij de bijzaak de nalatigheidsinterest is, en de hoofdzaak, de belasting of de sociale bijdrage. Is de belasting of bijdrage aftrekbaar, dan is ook de nalatigheidsinterest aftrekbaar.Verder zijn ook aftrekbaar: parkeerretributies, boetes inzake het eurovignet, de boete wegens een laattijdige neerlegging van de jaarrekening, … Uiteraard zijn ook schadevergoedingen aftrekbaar, vermits die geen sanctionerend karakter hebben. Minnelijke schikking. De minnelijke schikking vinden we terug in artikel 216bis van het Wetboek van Strafvordering (Sv.), dat werd gemodelleerd door de zogenaamde afkoopwet. Die afkoopwet biedt de mogelijkheid om de strafvordering te laten vallen mits er een geldsom wordt betaald.Is dat een sanctie? Het hof van beroep van Gent vond eind 2020 alvast van niet. Volgens het hof moest er gewoon gekeken worden naar de algemene principes inzake de aftrekbaarheid van uitgaven. In het dossier voor het hof betaalde een belastingplichtige een minnelijke schikking om reputatieschade tegen te gaan. En dus was die uitgave bestemd om zijn belastbare inkomsten te behouden en was ze aftrekbaar. Wetgevend ingrijpen. De reactie liet niet lang op zich wachten. Eind 2021 werd er een aftrekverbod voor minnelijke schikkingen ingevoerd in de betrokken wet. Zijn nu ook niet meer aftrekbaar: de geldsommen, zoals bedoeld in artikel 216bis Sv. Volgens de Raad van State was het nooit de bedoeling van de wetgever om voor minnnelijke schikkingen een uitzondering te maken op de niet-aftrekbaarheid. Toch was de betrokken wet volgens de Raadsleden geen interpretatieve wet. Een bepaling wordt als ‘interpretatief’ gezien als ze een reeds bestaande bepaling verduidelijkt. Dat houdt in dat de ‘wijziging’ die wordt aangebracht, geen echte wijziging is, maar enkel beter verwoordt wat de wetgever eigenlijk had willen zeggen. Daarom is een interpretatieve bepaling of wet van toepassing vanaf de inwerkingtreding van de geïnterpreteerde bepaling. Retroactief dus.Maar dat was hier niet het geval. De maatregel geldt dus niet voor het verleden. De wet werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 31 december 2021 en trad 10 dagen na publicatie in werking. Op 10 januari 2022 dus.Dit betekent dat de discussie over het al of niet aftrekbaar zijn van minnelijke schikkingen van vóór die datum blijft bestaan. De belastingplichtige zal immers redeneren dat de niet-aftrekbaarheid pas geldt vanaf 10 januari 2022, en dus niet ervóór. En de fiscus zal argumenteren dat de Raad van State duidelijk zegt dat het niet bedoeling van de wetgever was om de minnelijke schikking aftrekbaar te maken. Als zo’n dossier voor de rechter komt, zal die dus in alle wijsheid moeten wikken en wegen.

Lees meer
ABM logo tekst

Het scheidingsaandeel na uittreding of uitsluiting

19.05.2022

Het Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV) maakt het mogelijk dat in de statuten van een besloten vennootschap (BV) een uittredings- en uitsluitingsmogelijkheid wordt opgenomen. De Commissie voor Boekhoudkundige Normen (CBN) heeft nu toelichting gegeven bij de boekhoudkundige verwerking in hoofde van de BV in geval een aandeelhouder uittreedt of uitgesloten wordt lastens het vennootschapsvermogen. Uittreding en uitsluiting bij de BV. De uittredings- en uitsluitingsregeling lastens het vennootschapsvermogen is in een BV een facultatieve regeling. Dat wil zeggen dat een uittreding of uitsluiting lastens het vennootschapsvermogen alleen toegelaten is wanneer de statuten in die mogelijkheid voorzien.Het WVV bevat wel een aantal modaliteiten die van toepassing zullen zijn áls er een uittredings- of uitsluitingsregeling in de statuten staat. Vrijwillige uittreding. De vrijwillige uittreding van een aandeelhouder-oprichter is slechts mogelijk met ingang van het derde boekjaar na de oprichting, ongeacht wat er in de statuten staat. Andere regels omtrent de vrijwillige uittreding zijn: dat de aandeelhouders slechts kunnen uittreden gedurende de eerste zes maanden van het boekjaar; dat een aandeelhouder uittreedt met al zijn aandelen, waarbij deze aandelen worden vernietigd; dat de uittreding uitwerking heeft op de laatste dag van de zesde maand van het boekjaar, waarbij het bedrag van het scheidingsaandeel ten laatste één maand nadien moet worden uitbetaald; dat het bedrag van het scheidingsaandeel per aandeel gelijk is aan het bedrag dat voor dat aandeel werkelijk werd gestort en nog niet werd terugbetaald, met een maximum van de nettoactiefwaarde van het aandeel zoals die blijkt uit de laatst goedgekeurde jaarrekening. Via de statuten kan van deze 4 regels afgeweken worden. De uitkering van het bedrag van het scheidingsaandeel wordt aangemerkt als een uitkering waarop de uitkeringstesten van toepassing zijn: de netto-actief-test van artikel 5:142 van het WVV en de liquiditeitstest van artikel 5:143 van het WVV. Hiervan kan statutair niet afgeweken worden. Het bestuursorgaan moet op de gewone algemene vergadering verslag doen over de verzoeken tot uittreding die ingediend werden tijdens het vorige boekjaar. Uittreding van rechtswege of wegens het verlies van de statutair vereiste hoedanigheid. De statuten van een BV kunnen ook een regeling bevatten waardoor men ervan uitgaat dat een aandeelhouder van rechtswege is uitgetreden lastens het vermogen van de BV, in geval van: overlijden, faillissement, kennelijk onvermogen, vereffening of onbekwaamverklaring van een aandeelhouder; of het niet langer beantwoorden aan de statutaire vereisten om aandeelhouder te worden. De uittreding wordt dan geacht plaats te vinden op het ogenblik dat die omstandigheid optreedt en dezelfde wettelijke bepalingen gelden als bij een vrijwillige uittreding, met uitzondering van de termijnen. Opgelet! Als de statuten niets voorzien, kan dit niet. Uitsluiting. De uitsluiting van een aandeelhouder lastens het vermogen van de BV vindt plaats op initiatief van het bestuursorgaan. Uitsluiting is alleen mogelijk als de statuten van de BV expliciet voorzien in de mogelijkheid van uitsluiting lastens het vennootschapsvermogen, om een wettige reden of om een andere, in de statuten vermelde redenen. Om een aandeelhouder uit te kunnen sluiten moet het bestuursorgaan een gemotiveerd voorstel tot uitsluiting meedelen aan de betrokken aandeelhouder. De betrokken aandeelhouder wordt verzocht zijn opmerkingen schriftelijk over te maken aan de algemene vergadering binnen de maand nadat hij het voorstel tot uitsluiting kreeg. De aandeelhouder kan vragen om gehoord te worden. Alleen de algemene vergadering is bevoegd om de uitsluiting uit te spreken en de uitsluiting moet gemotiveerd worden. Het bestuursorgaan deelt dan binnen de vijftien dagen het gemotiveerd besluit van de algemene vergadering mee aan de aandeelhouder en schrijft de uitsluiting in het aandelenregister in, met vermelding van de datum van uitsluiting en de bedragen die betaald worden aan de betrokken aandeelhouder. De uitsluitingen en de daaruit voortvloeiende statutenwijzigingen – want er is een wijziging van het aantal aandelen – worden vóór het einde van het boekjaar waarin wordt uitgetreden, vastgesteld bij authentieke akte verleden op verzoek van het bestuursorgaan. De aandelen van de uitgesloten aandeelhouder worden vernietigd. Boekhoudkundige verwerking van het scheidingsaandeel. Tenzij de statuten anders bepalen, heeft de uitgesloten aandeelhouder recht op de uitbetaling van een scheidingsaandeel dat per aandeel gelijk is aan het bedrag dat voor dat aandeel werkelijk werd gestort en nog niet werd terugbetaald, met een maximum van de nettoactiefwaarde van dit aandeel zoals die blijkt uit de laatst goedgekeurde jaarrekening. Ook hier zijn de uitkeringstesten van toepassing. Het bestuursorgaan bepaalt op welke bestanddelen van het eigen vermogen de bedragen voor de uitbetaling van het scheidingsaandeel boekhoudkundig worden aangerekend. Het bestuursorgaan moet daarbij onder meer rekening houden met de bestanddelen van het eigen vermogen die wettelijk of statutair onbeschikbaar zijn. In zover de terugbetaling van het scheidingsbestanddeel wordt aangerekend op de inbreng buiten kapitaal, moet op het ogenblik van de uittreding of uitsluiting het volgende geboekt worden:11     Inbreng buiten kapitaal        XXX          aan                48       Diverse schulden       XXX Wordt de terugbetaling van het scheidingsbestanddeel aangerekend op de reserves, dan wordt dit geboekt bij de resultaatverwerking. Op het ogenblik van de beslissing tot uittreding of uitsluiting en, in voorkomend geval, bij de onttrekking aan de reserves, vinden de volgende boekingen plaats:697      Andere rechthebbenden      XXX             aan         48       Diverse schulden      XXX133      Beschikbare reserves          XXX             aan         792      Onttrekking aan de reserves       XXX De effectieve uitbetaling van het scheidingsaandeel moet opgeschort worden als de uitkeringstesten een volledige uitkering beletten. De opschorting loopt tot op het ogenblik dat de uitkeringstesten de effectieve uitbetaling toelaten. De Commissie meent dat de BV deze uitbetalingsonmogelijkheid moet opnemen in de toelichting bij haar jaarrekening.

Lees meer
ABM logo tekst

Belastingvermindering voor relance-uren

13.05.2022

In het kader van het sociaal akkoord van 2021 werd overeengekomen om het aantal vrijwillige overuren dat zonder overwerktoeslag gepresteerd mocht worden, in alle sectoren op te trekken van 100 tot 220 uur. De 120 bijkomende vrijwillige overuren worden relance-uren genoemd. U kan er nog gebruik van maken tot eind 2022. Arbeidsrechtelijk. Hoewel reeds van toepassing vanaf 1 juli 2021 werd dit sociaal akkoord pas eind 2021 in een wet gegoten. De wetswijziging zorgde ervoor dat het aantal vrijwillige overuren, zoals bedoeld in artikel 25bis van de Arbeidswet van 16 maart 1971, in 2021 en 2022 voor alle sectoren werd verhoogd met 120 bijkomende uren, ‘relance-uren’ genoemd. Die relance-uren kunnen gepresteerd worden in de periode van: 01.07.2021 t.e.m. 31.12.2021; en 01.01.2022 t.e.m. 31.12.2022. De maatregel bestond al eerder, maar was toen beperkt tot de zogenaamde cruciale sectoren (ziekenhuizen, supermarkten, …). Vrijwillige overuren die al gepresteerd werden in 2021 moeten afgetrokken worden van het contingent van 120 bijkomende vrijwillige overuren in de periode van 1 juli 2021 t.e.m. 31 december 2021. Relance-uren die onder deze maatregel gepresteerd worden, moeten niet ingehaald worden en er is geen overloon voor verschuldigd. Fiscaal. Waarom zou een werknemer vrijwillig overuren doen als hij er geen overloon voor krijgt? Daarvoor bestaat een fiscale reden: de bezoldigingen voor de 120 bijkomende relance-uren die in 2021 en 2022 gepresteerd worden, zijn vrijgesteld van inkomstenbelastingen.Opgelet: de bezoldigingen voor de eerste 100 vrijwillige overuren blijven in beginsel wel belastbaar! In principe staat de vrijstelling van inkomstenbelastingen open voor bezoldigingen van zowel werknemers als bedrijfsleiders, maar de bezoldigingen van een bedrijfsleider die deze verkregen heeft naar aanleiding van zijn werkzaamheid als zelfstandig bedrijfsleider komen niet in aanmerking voor de vrijstelling, omdat zelfstandige bedrijfsleiders wettelijk gezien geen vrijwillige overuren kunnen presteren. Overschrijding van het maximum. De vrijstelling is beperkt tot 120 bijkomende vrijwillige overuren per belastingplichtige. Als dat maximum wordt overschreden, wordt de vrijstelling pro rata berekend. Als er in 2021 bezoldigingen voor minder dan 120 relance-uren werden betaald, dan kan voor het saldo een belastingvrijstelling worden verleend op de bezoldigingen voor de in 2021 gepresteerde relance-uren die pas in 2022 worden uitbetaald of toegekend. Hetzelfde geldt voor de bezoldigingen voor relance-uren die in 2022 worden gepresteerd, maar die niet volledig in 2022 zouden worden uitbetaald. VoorbeeldA presteert in het vierde kwartaal van 2021 40 relance-uren. Daarvan worden er 30 uitbetaald in 2021 en 10 in 2022. A presteert in 2022 het maximum van 120 relance-uren. Daarvan worden er 115 uitbetaald in 2022 en 5 in 2023. Dat betekent dat A in inkomstenjaar 2021 een vrijstelling geniet voor 30 uren, in inkomstenjaar 2022 voor 125 uren (dat is: voor 10 uren gepresteerd in 2021 en voor 115 uren gepresteerd in 2022) en in inkomstenjaar 2023 voor 5 uren (gepresteerd in 2022). Horeca. Voor de horeca geldt al enige jaren een aparte regeling. Er geldt een vrijstelling inzake inkomstenbelastingen voor 360 of 300 overuren, naargelang er al dan niet witte kassa is. In het eerder uitzonderlijke geval dat een werknemer eerst buiten de horeca vrijgestelde relance-uren presteert en daarna in de horeca ook nog eens vrijgestelde overuren presteert, moeten de vrijgestelde relance-uren afgetrokken worden van het contingent van de 360/300 vrijgestelde horeca-overuren. Belastingvermindering. De vrijstelling voor relance-uren mag niet verward worden met de belastingvermindering voor overwerk met overwerktoeslag. Dat is een andere maatregel uit het sociaal akkoord: dat akkoord breidt de belastingvermindering uit die een werknemer geniet voor overwerk mét overwerktoeslag van 130 naar 180 overuren. Die maatregel is gekoppeld aan een vrijstelling voor werkgevers: zij hoeven de bedrijfsvoorheffing op de lonen voor die overuren niet door te storten aan de Schatkist. Welnu, relance-uren komen niet in aanmerking voor de doorstortingsvrijstelling, noch voor de belastingvermindering omdat er bij relance-uren geen overwerktoeslag wordt betaald. Tot eind 2022. De belastingvrijstelling voor relance-uren geldt alleen voor relance-uren die tot 31 december 2022 worden gepresteerd. Het aanknopingspunt is dus de datum van de prestatie. Dat betekent ook dat het perfect mogelijk is om de vrijstelling nog in 2023 te genieten voor relance-uren die in de loop van 2022 werden gepresteerd, maar die pas in 2023 worden uitbetaald.

Lees meer
ABM logo tekst

De salariswagen en de btw in 2022

06.05.2022

Salariswagens kennen een bijzonder belastingstelsel op het vlak van btw. Een bijzonder ingewikkeld stelsel bovendien. Toen Covid-19 onze manier van werken overhoop haalde, kende de fiscus toleranties toe. Die worden in 2022 teruggedraaid, maar om dat mogelijk te maken, is een nieuwe tolerantie nodig. Beroeps- versus privéverplaatsingen. Als u uw werknemers een bedrijfswagen ter beschikking stelt waarmee ze ook privéverplaatsingen mogen doen, dan spreken we in de inkomstenbelastingen van een voordeel van alle aard, dat als loon wordt belast. Hoeveel er privé met de wagen gereden wordt, is van geen belang.Maar ook inzake btw heeft zo’n salariswagen consequenties, en daar is het wél van belang om te weten hoeveel kilometers er privé, en hoeveel er beroepsmatig gereden worden. Bij privéverplaatsingen denkt u wellicht meteen, en terecht, aan winkelen, familiebezoek, vakantie… En beroepsverplaatsingen zijn dan de ritten die de werknemer doet naar een werf, een klant, … Maar vaak wordt vergeten dat de fiscus het woon-werkverkeer niet als een beroepsverplaatsing beschouwt, ook al is dat duidelijk gelinkt aan de job! Althans niet bij de werkgever. M.a.w.: het woon-werkverkeer is wél een beroepsverplaatsing voor de werknemer, maar niet voor de werkgever. Btw-aftrek. Als een voertuig gekocht wordt als een handelsgoed, dan is de btw voor diegene die dat voertuig kocht, uiteraard aftrekbaar. Wordt het voertuig achteraf toch niet verkocht, maar wordt het privé gebruikt door de handelaar, dan moet die de afgetrokken btw herzien en terugbetalen. Wordt het voertuig gekocht om het in te zetten voor de activiteiten, dan is de btw weer 100% aftrekbaar. Denken we maar aan de bestelwagens waarmee u uw handelswaar levert. Gebruikt u het voertuig deels ook voor privédoeleinden, dan moet de btw-aftrek daaraan aangepast worden. Voor personenwagens, die zowel voor personen- als voor goederenvervoer geschikt zijn, geldt als het ware een vermoeden dat zij altijd voor privédoeleinden worden gebruikt. De btw-aftrek op dat soort voertuigen kan nooit hoger zijn dan 50%. De btw op een personenwagen is dus in elk geval maximaal voor 50% aftrekbaar, maar als het beroepsgebruik lager ligt dan die 50%, dan is de aftrek uiteraard beperkt tot dat lagere percentage. Verhouding privé- versus beroepsgebruik bepalen. Hoe bepaal je het aftrekpercentage? Daarvoor zijn er 3 methodes. Methode 1: u houdt een dagelijkse rittenadministratie bij. Methode 2 of semi-forfaitaire methode: u berekent het beroepsgebruik met de formule: % privégebruik = ((afstand woon-werk x 2 x 200 + 6.000) / totale afstand) x 100. Het percentage beroepsgebruik is dan gelijk aan 100 % - het percentage privégebruik. Methode 3 of forfaitaire methode: het beroepsgebruik wordt forfaitair vastgesteld op 35 %. De methodes 1 en 2 mag u combineren: de ene methode voor het ene voertuig, de andere methode voor een ander voertuig. De forfaitaire methode mag u echter niet combineren met andere methodes. Als u kiest voor die methode, moet u die bovendien gedurende ten minste 4 jaar toepassen. En toen kwam Covid-19. Door Covid-19 en het verplicht of sterk aanbevolen telewerk daalde het aantal beroeps- en privékilometers. Ondernemers die voor hun wagenpark de semi-forfaitaire methode gebruikten, waren daardoor in het nadeel: bij die berekeningsmethode wordt het privégebruik (waaronder het woon-werkverkeer) forfaitair geschat : het feit dat het personeelslid in 2020 en 2021 veel meer thuis werkte dan op kantoor, had geen impact op het aftrekpercentage. Daarom besliste de minister van Financiën dat wie de semi-forfaitaire berekeningsmethode (methode 2) gebruikte, gedurende de kalenderjaren 2020 en 2021 de forfaitaire methode (methode 3) met een beroepsgebruik van 35% mocht toepassen. Bovendien mochten deze personen de semi-forfaitaire methode en de forfaitaire methode combineren, wat normaal gezien niet mag. Einde van de pandemie. Maar nu de werknemers weer meer en meer opduiken op de werkvloer is de semi-forfaitaire methode wellicht weer meer relevant dan de forfaitaire aftrek van 35%. Daarom besliste de belastingadministratie eind maart dat belastingplichtigen die gebruik maakten van de tolerantie, terug mogen overschakelen naar de semi-forfaitaire methode. Dat is niet helemaal volgens het boekje, want in principe was u verplicht om de forfaitaire methode gedurende ten minste vier kalenderjaren te gebruiken. Met een circulaire bevestigt de administratie nu duidelijk dat u mág overschakelen; u móet niet overschakelen. Dus best even de rekenmachine bovenhalen vooraleer u gebruik maakt van deze nieuwe tolerantie.

Lees meer
ABM logo tekst

Vennootschap en aandeelhouder samen eigenaar… Geen goed idee

02.05.2022

Wie samen met een andere persoon eigenaar is van een onroerend goed kan een einde maken aan die mede-eigendom door uit onverdeeldheid te treden. Het verdeelrecht bedraagt, afhankelijk van de ligging van het onroerend goed, 2,5% in Vlaanderen of 1% in de beide andere gewesten. Bent u echter mede-eigenaar, samen met uw eigen vennootschap, dan betaalt u een verkooprecht van 12% of 12,5%. Waarom is dat? ‘Historische’ vennoten. U hebt een NV (een kapitaalvennootschap) en stel dat die NV een gebouw heeft. Als de NV vereffend wordt en u het gebouw toebedeeld krijgt, is er een verkooprecht verschuldigd. Ook als u het gebouw dat u zelf inbracht, bij de vereffening terug krijgt. Dat verkooprecht bedraagt 12% in Vlaanderen en 12,5% in de twee andere gewesten. Bent u vennoot in een BV (een personenvennootschap) en krijgt u bij de vereffening het onroerend goed, dan zijn er twee mogelijkheden: Als u géén vennoot was op het ogenblik dat de BV de eigendom verwierf, betaalt u een verkooprecht. Als u wél al vennoot was op het ogenblik dat de BV (of vroeger, BVBA) het gebouw kocht, of als u het gebouw zelf heeft ingebracht, dan bent u een ‘historische’ vennoot en komt u terecht in de wachtregeling. De wachtregeling betekent dat u bij de vereffening enkel een vast recht moet betalen. De fiscus wacht dan op wat er daarna zal gebeuren: Als u het gebouw verwerft met andere vennoten die allemaal historische vennoten zijn, dan kan u uit onverdeeldheid treden en is er enkel een verdeelrecht verschuldigd. Als het gebouw echter terecht komt bij iemand die géén historische vennoot is, dan is het verkooprecht verschuldigd. Achterdeurtje is doodlopend spoor. In een NV ontsnapt u dus niet aan het verkooprecht tenzij, … misschien …Een tiental jaar geleden ontstond de trend om als aandeelhouder samen met de vennootschap een onroerend goed aan te kopen. U koopt bijvoorbeeld 10% van het geheel – waarop u dan het verkooprecht moet betalen – en uw vennootschap koopt de overige 90% – waarop ook het verkooprecht verschuldigd is, maar dat bedrag is aftrekbaar als beroepskost.  Na vele jaren, bijvoorbeeld als u de vennootschap wilt stopzetten, treedt u uit onverdeeldheid en neemt u het deel van de vennootschap over. Volstaat dan een verdeelrecht op die transactie? ‘Neen’, zegt de fiscus. Want de regeling rond de vennoten die een onroerend goed verkrijgen uit hun eigen vennootschap is een bijzondere regeling, bedoeld als antimisbruikbepaling. En die antimisbruikbepaling heeft voorrang op de algemene regeling inzake verdeelrecht. Met de term ‘fiscus’ hebben we het hier zowel over de federale fiscus (die nog gedeeltelijk bevoegd is voor de registratierechten), als over Vlabel, dat bevoegd is voor de Vlaamse registratierechten. Van eerste aanleg, via Cassatie naar het Grondwettelijk Hof. Er is al heel wat inkt gevloeid over deze interpretatie. Heel wat belastingplichtigen trokken naar de bevoegde rechtbanken en hoven, om ten slotte bij het Hof van Cassatie terecht te komen. Eén van de argumenten die daar werden aangehaald was de schending van het gelijkheidsbeginsel. Dat is echter niet de bevoegdheid van het Hof van Cassatie, wel die van het Grondwettelijk Hof. Het gelijkheidsbeginsel lijkt in die zin geschonden te zijn dat de vennoot die in onverdeeldheid is met zijn eigen vennootschap, een verkooprecht moet betalen. Terwijl er van iemand anders, die geen vennoot is en die in onverdeeldheid is met diezelfde vennootschap, enkel een verdeelrecht wordt gevorderd. Het Grondwettelijk Hof meent echter dat dit onderscheid verantwoord is, omdat de regel dat er een verkooprecht verschuldigd is als de vennoot een onroerend goed uit de eigen vennootschap haalt, een anti-misbruikbepaling is, die effectief voorrang heeft op het verdeelrecht. Terecht stelt men zich de vraag wélk misbruik hier bestreden wordt. Bij aankoop van het onroerend goed werden de rechten immers betaald, deels door de vennootschap, deels door de vennoot. Maar de beslissing van het Grondwettelijk Hof maakt wel een einde aan de discussies. Mede-eigendom tussen de vennootschap en één van haar vennoten wordt dus best vermeden.

Lees meer
ABM logo tekst

Nieuwe responsabiliseringsbijdrage voor de werkgevers

29.04.2022

De programmawet van eind 2021 voert een nieuwe responsabiliseringsbijdrage in voor werkgevers met een groot aantal werknemers op invaliditeit. Hoe kunt u die bijdrage vermijden? Minder langdurig zieken. In oktober 2021 maakte de federale regering een actieplan bekend om het aantal langdurig zieken terug te dringen. Het was de bedoeling om dat te realiseren via: een verlaging van de uitkeringen van langdurig zieke werknemers die niet meewerken aan een re-integratieplan het invoeren van een wachttijd voor werkgevers die een arbeidsovereenkomst willen beëindigen op basis van overmacht. Die wachttijd moet toelaten om eerst een re-integratietraject op te starten, en het opleggen van een sanctie aan ondernemingen met meer dan 49 werknemers die tijdens een bepaald kwartaal bovenmaats veel langdurig zieke werknemers hebben: een nieuwe responsabiliseringsbijdrage. Welke werkgevers, welke werknemers?. De nieuwe bijdrage geldt voor de werkgevers uit de privésector die onderworpen zijn aan de wet van 5 december 1968 op de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités. Werkgevers die gemiddeld minder dan 50 werknemers tewerkstellen, zijn vrijgesteld. Wat de werknemers betreft, gelden de volgende regels: U moet alleen rekening houden met de invaliditeitsperiodes die aanvangen op of na 1 januari 2022. U moet bij de berekening van het aantal invalide werknemers geen rekening houden met de werknemers die op de aanvangsdatum van de invaliditeit beschikken over een toelating tot werkhervatting van het ziekenfonds. Er wordt bij de berekening van de totale tewerkstelling geen rekening gehouden met de werknemers die minder dan 3 opeenvolgende ononderbroken dienstjaren in de onderneming hadden in het vierde kwartaal dat vooraf ging aan dat waarin de invaliditeit is aangevangen (Q-4). Bovenmaatse instroom. De bijdrage is verschuldigd als er sprake is van een ‘bovenmaatse instroom’, maar hoe wordt die instroom berekend? Er wordt daarvoor gekeken naar het aantal werknemers van de onderneming dat tijdens het laatste jaar in de invaliditeit terecht kwam – de zogenaamde ‘intredes’. Dat aantal wordt vergeleken met het gemiddelde in dezelfde activiteitensector en in alle ondernemingen van de privésector. De bijdrage is trimestrieel: de vergelijking wordt dus elk kwartaal opnieuw gemaakt, door het gemiddelde van de verhoudingen tussen de intredes in kwartaal Q – het kwartaal waarin de invaliditeit aanvangt – en elk van de drie voorgaande kwartalen te vergelijken met de totale tewerkstelling in de onderneming in elk van de overeenstemmende kwartalen van het voorafgaande kalenderjaar. Dat gemiddelde wordt dan vergeleken met het gemiddelde van de ondernemingen die tot dezelfde sector behoren en met dat van de privésector in het algemeen. Is het gemiddelde van uw onderneming hóger, dan spreken we van een bovenmaatse instroom. De mate waarin het gemiddelde van de individuele onderneming boven dat van de activiteiten- en privésector mag liggen, moet nog bepaald worden. In afwachting daarvan is er nog geen bijdrage verschuldigd. Hoogte van de responsabiliseringsbijdrage. De programmawet heeft de responsabiliseringsbijdrage vastgelegd op 0,625% van de loonmassa die aan sociale bijdragen is onderworpen in het kwartaal dat vooraf gaat aan dat waarin de invaliditeit is aangevangen. Voor de berekening van de loonmassa wordt er geen rekening gehouden met: werknemers jonger dan 18 jaar werknemers van 55 jaar of ouder, en werknemers met minder dan 3 opeenvolgende ononderbroken dienstjaren in de onderneming. De bijdrage wordt geïnd samen met de gewone sociale bijdrage van het tweede kwartaal dat volgt op het kwartaal van de intrede in invaliditeit. Waarschuwing. De RSZ krijgt in de wet nog de opdracht om ondernemingen waarvan de instroom in invaliditeit negatief evolueert en die dus het risico lopen om aan de bijdrage onderworpen te worden, te verwittigen, zodat zij nog snel stappen kunnen ondernemen om de intrede in invaliditeit te beperken.

Lees meer
ABM logo tekst

Bestuurdersmandaat en werknemersfunctie in dezelfde vennootschap

25.04.2022

Bestuurdersmandaten in een naamloze vennootschap of besloten vennootschap mogen niet in een arbeidsovereenkomst gegoten worden. Wat niet betekent dat een bestuurder geen werknemer zou kunnen zijn, maar evident is het niet. Dualiteit van functies. Een vennootschapsmandataris mag niet via een arbeidsovereenkomst met de vennootschap verbonden zijn. Dat vloeit voort uit het nieuwe Wetboek van vennootschappen en verenigingen (WVV). Het verbod heeft: in een nv betrekking op de bestuurders, de leden van de raad van toezicht en de leden van de directieraad, en in een bv, op de bestuurders. Maar wat als een bestuurder binnen eenzelfde vennootschap nog een andere functie uitoefent? Die zogenaamde ‘dualiteit van functies’ is mogelijk onder 3 voorwaarden. In eerste instantie moet de andere functie duidelijk te onderscheiden zijn van de bestuursfunctie. Dat houdt in dat er geen rechtstreeks verband mag zijn met het mandaat als bestuurder. Denken we maar aan een commerciële functie, een financiële functie of een functie als HR-verantwoordelijke. De tweede voorwaarde wordt gevormd door de band van ondergeschiktheid. Dat is immers een noodzakelijk bestanddeel van elke arbeidsovereenkomst. Dat is meteen ook de moeilijkste en meest gevoelige voorwaarde van de drie: in zijn hoedanigheid van werknemer moet er een band van ondergeschiktheid zijn tussen de werkgever en de werknemer, terwijl diezelfde persoon al zelf aan de top van het bedrijf staat.  Wie moet dan het gezag uitoefenen ten aanzien van die werknemer-bestuurder? Dat kan een orgaan van de vennootschap zijn of een persoon die werd aangesteld door de vennootschap. De algemene vergadering van aandeelhouders kan geen gezag uitoefenen, omdat zij slecht één keer per jaar samen komt.  U begrijpt meteen ook dat deze voorwaarde niet vervuld kan worden in een vennootschap met slechts één bestuurder. Ook als een direct familielid in feite de belangrijkste bestuursfuncties in handen heeft, is het niet mogelijk om van een band van ondergeschiktheid te spreken.  De derde voorwaarde betreft het loon. De werknemer-bestuurder moet voor zijn prestaties een loon ontvangen – alsof er geen bestuursmandaat is. Een bestuurdersvergoeding kan niet gelijkgesteld worden met een loon. Zou de betrokken persoon géén loon ontvangen voor zijn arbeidsprestaties, dan bevestigt dat alleen maar dat hij geen werknemer is, maar bestuurder. Dagelijks bestuur. Het verbod om met een arbeidsovereenkomst verbonden te zijn, slaat enkel op de functies als vennootschapsmandataris. Het verbod heeft geen betrekking op het orgaan van dagelijks bestuur.  Het WVV voorziet erin dat bepaalde handelingen niet via de bestuurders moeten passeren. Namelijk handelingen die niet verder gaan dan de behoeften van het dagelijkse leven van de vennootschap, handelingen die een gering belang vertonen of handelingen die een spoedeisend karakter hebben zodat de tussenkomst van het bestuursorgaan niet gerechtvaardigd is.  Het WVV zegt niets uitdrukkelijks omtrent het sociaal statuut van de leden van dát orgaan, waaruit de rechtsleer afleidt dat een sociaal statuut van werknemer mogelijk is. Arbeidsrecht en RSZ. Als vaststaat dat de vennootschapsmandataris ook een werknemer is, dan zijn er meteen ook twee verschillende sets van regels die van toepassing zijn, wat het arbeidsrecht en de sociale zekerheid betreft. In zijn hoedanigheid van werknemer, geniet de betrokkene de bescherming van de werknemers op het vlak van arbeidsduur, jaarlijkse vakantie en ontslag. Als het bestuursmandaat tot een einde komt, mag dat niet automatisch leiden tot het einde van de arbeidsovereenkomst. Dat zou in strijd zijn met het principe van de dualiteit van de functies. Als de vennootschap en de bestuurder-werknemer afscheid willen nemen van elkaar, dan moeten de regels inzake de herroeping van het bestuursmandaat enerzijds, én de opzeggingsregels uit de Arbeidsovereenkomstenwet anderzijds, gerespecteerd worden. Ook op het vlak van de sociale zekerheid moet de dualiteit doorgetrokken worden: voor wat zijn bestuursmandaat betreft, is deze persoon onderworpen aan het sociaal statuut van de zelfstandigen, terwijl hij voor de werknemersfunctie onder de socialezekerheidsregeling van de werknemers valt.  Noteer daarbij dat er een vermoeden is dat iedereen die in België een beroepsbezigheid uitoefent zonder arbeidsovereenkomst, een zelfstandige is, en dus onderworpen is aan het sociaal statuut van de zelfstandigen. Bovendien wordt elke persoon die aangesteld wordt als mandataris in een vennootschap – die zich dus met de exploitatie of met verrichtingen van winstgevende aard zal bezighouden – geacht wordt een zelfstandige beroepsbezigheid uit te oefenen.   Wie zijn mandaat kosteloos uitoefent, moet dat kunnen bewijzen. Als de mandataris erin slaagt om dat bewijs te leveren, is hij niet onderworpen aan het sociaal statuut van de zelfstandigen. Slaagt de mandataris er niet in om dat bewijs te leveren, dan moet er nog gekeken worden of hij zich moet aansluiten bij een sociaal verzekeringsfonds als zelfstandige in hoofdberoep, dan wel als zelfstandige in bijberoep. Dat wordt dan bepaald door de omvang van de prestaties als loontrekkende. Een aansluiting als zelfstandige in bijberoep is mogelijk aIs de mandataris voor minstens 50% van een voltijdse betrekking in dienst is als loontrekkende. Fiscaliteit. Noteer ook dat de opsplitsing van de functies op fiscaal vlak geen impact heeft. De fiscus beschouwt alle vergoedingen als vergoedingen van de bedrijfsleider. Tenzij de betrokkene kan aantonen dat de bestuursfunctie kosteloos wordt uitgeoefend en er enkel een vergoeding is voor de functie in dienstverband. Duidelijke afspraken. Wie een bestuursmandaat wil combineren met een functie in dienstverband, doet er goed aan om alles goed te documenteren. De combinatie van beide functies vormt immers een uitzondering op de regel. 

Lees meer
ABM logo tekst

Betalingsachterstand: 60 dagen of 30 dagen?

21.04.2022

De wet van 2 augustus 2002 betreffende de bestrijding van de betalingsachterstand bij handelstransacties werd in de loop van 2021 gewijzigd. De nieuwe regels traden in werking op 1 februari 2022. Wat moet u zeker weten ? Wat zijn de hoofdregels inzake betalingsachterstand ?. De wet van 2 augustus 2002 geldt enkel in het kader van handelstransacties. Dat zijn transacties tussen ondernemingen, of tussen ondernemingen en overheidsinstanties, die leiden tot een levering van goederen, een verrichting van diensten of het ontwerpen en uitvoeren van openbare werken en bouw- en civieltechnische werken, tegen vergoeding. Als er geen betalingstermijn of datum in het contract werd opgenomen, dan lag de betalingstermijn tot voor kort vast op 30 kalenderdagen. Dat blijft ook zo.  De termijn van 30 dagen vangt in principe aan op de dag dat de schuldenaar de factuur of een verzoek tot betaling ontvangt. Als die datum niet kan vastgesteld worden, dan moet er gekeken worden naar de datum waarop de goederen of diensten ontvangen werden. Ook als de schuldenaar de factuur eerder ontvangt dan de goederen of diensten, begint de termijn maar te lopen bij de ontvangst van de goederen of diensten. Maar de partijen kunnen ook een betalingstermijn overeenkomen. Onder de oude wet konden de contracterende partijen die termijn vrij bepalen, zonder dat die meer mocht bedragen dan 90 dagen. Alleen als de schuldeiser een kmo was, en de schuldenaar dat niet was, mocht de betalingstermijn niet langer zijn dan 60 dagen. Het was echter een courante praktijk dat de schuldenaar in dergelijke situaties de betaaltermijn van 60 dagen maar liet aanvangen nadat hij de goederen uitdrukkelijk had aanvaard. Op die manier kon de schuldenaar in de praktijk toch een betalingstermijn van 90 dagen afdwingen. Dat achterpoortje wordt door de nieuwe wet gesloten. De maximale betalingstermijn is nu 60 dagen, ongeacht of er kmo’s bij de deal betrokken zijn, of niet.  Bedingen die voorzien in een langere betalingstermijn dan 60 dagen, worden als ongeschreven beschouwd, zodat de termijn dan op 30 dagen komt te liggen! Als de schuldenaar de goederen vanaf nu wil testen op conformiteit, dan maakt de termijn die hij daarvoor willen voorbehouden, deel uit van de 60 dagen-termijn.   Verder moet de schuldenaar, uiterlijk op het tijdstip van ontvangst van de goederen of verrichting van de diensten, aan de schuldenaar alle informatie verstrekken die nodig is om de factuur te kunnen opstellen. Ingebrekestelling. Als er op de vervaldag niet betaald werd, dan is de schuldenaar meteen, en van rechtswege (d.w.z. automatisch), een rente verschuldigd, plus een forfaitaire schadevergoeding van 40 euro. De schuldeiser moet de schuldenaar hiervoor niet in gebreke stellen: de schuldeiser kan contractueel dus niet afdwingen dat de schuldenaar geen rente mag vorderen. Sinds 1 februari. De nieuwe regels zijn van toepassing sinds 1 februari 2022. De nieuwe regelgeving geldt dus zeker voor contracten die sindsdien werden afgesloten. Ook voor lopende contracten. Maar wat met de lopende contracten? In antwoord op een parlementaire vraag liet de bevoegde minister van Werk en Economie weten dat hij van mening is dat de wet (die van dwingend recht is) onmiddellijk van toepassing is op de lopende contracten. De gevolgen van die redenering zijn niet min: als een lopend contract in een looptijd voorziet van meer dan 90 dagen, dan wordt dat beding onder het nieuwe recht als ongeschreven beschouwd. Dat zou betekenen dat de betalingstermijn dan terugvalt op 30 dagen en dat er na die 30 kalenderdagen rente en een forfaitaire vergoeding verschuldigd zijn. Volgens sommige auteurs heeft de rechter wel de mogelijkheid om, in de plaats van het beding volledig te negeren, het terug te brengen naar de maximale wettelijke termijn van 60 dagen. Het lijkt in elk geval aangewezen om voor de lopende contracten te bekijken of de nieuwe maximumtermijn niet overschreden werd. Indien dat wel het geval is; is het belangrijk om de clausule te herzien en ze in overeenstemming te brengen met de wet.

Lees meer
ABM logo tekst

Kmo-groottecriteria anno 2022

19.04.2022

De Commissie voor Boekhoudkundige Normen (CBN) publiceerde midden maart een nieuwe versie van haar advies over de groottecriteria voor kleine vennootschappen. Een interessant document. Definitie van kleine vennootschappen en microvennootschappen. Traditioneel gebruiken we de term ‘kmo’ als we het hebben over kleine ondernemingen. De ‘M’ in de afkorting staat in principe voor de middelgrote ondernemingen, maar juridisch gezien bestaan die niet in onze vennootschapswetgeving. Daar bestaan eigenlijk alleen maar 2 soorten vennootschappen: vennootschappen die ‘klein’ zijn en vennootschappen die ‘niet klein’ zijn.  Een vennootschap is een kleine vennootschap als ze op de balansdatum van het laatst afgesloten boekjaar, niet meer dan één van de volgende criteria overschrijdt:  jaargemiddelde van het aantal werknemers: 50 jaaromzet, exclusief btw: 9.000.000 euro, en balanstotaal: 4.500.000 euro.  Er bestaat echter nog een ‘ondersoort’ van kleine vennootschappen, namelijk de microvennootschappen. Dat zijn kleine vennootschappen die op de balansdatum van het laatst afgesloten boekjaar géén dochtervennootschap of moedervennootschap zijn én die niet meer dan één van de volgende criteria overschrijden: jaargemiddelde van het aantal werknemers: 10 jaaromzet, exclusief btw: 700.000 euro, en balanstotaal: 350.000 euro. Er zijn dus 3 elementen van belang: het personeelsbestand, de jaaromzet en het balanstotaal. Het balanstotaal kan u gewoon raadplegen in de jaarrekening en behoeft geen verdere toelichting. Maar hoe zit het met het personeelsbestand en de omzet? Personeelsbestand. Om het jaargemiddelde van het personeelsbestand te berekenen, moet er gekeken worden naar het gemiddeld aantal werknemers in voltijdse equivalenten dat geregistreerd is in de Dimona-databank op het einde van elke maand van het boekjaar. Zijn er werknemers die niet in de Dimona-databank opgenomen moeten worden, dan moet u kijken naar het algemeen personeelsregister of naar een gelijkwaardig bestand. Voor deeltijds tewerkgestelde werknemers gebeurt de berekening op basis van het contractueel overeengekomen aantal te presteren uren, gerelateerd aan de normale arbeidsduur van een vergelijkbare voltijdse werknemer (referentiewerknemer). Omzet. Het begrip ‘omzet’ wordt gedefinieerd als het bedrag van de verkoop van goederen en de levering van diensten aan derden, in het kader van de gewone bedrijfsuitoefening van de vennootschap.  De btw wordt buiten beschouwing gelaten. Toegestane kortingen (afslag, ristorno, rabat) worden afgetrokken, maar als de onderneming een overheidstussenkomst ontvangt in het kader van een tariferingspolitiek, als compensatie voor lagere ontvangsten, dan moet dat bedrag mee opgenomen worden. De CBN benadrukt dat het moet gaan om opbrengsten van het normale bedrijf en de commissie geeft daarbij het volgende voorbeeld. Voorbeeld 1Een resultatenrekening bevat de volgende gegevens: • jaaromzet, excl. btw: 3.300.000 euro• andere bedrijfsopbrengsten: 200.000 euro• financiële opbrengsten (dividenden): 700.000 euro, en• niet-recurrente financiële opbrengsten: 550.000 euro.De omzet bedraagt hier 3.300.000 euro.  Maar als de opbrengsten uit het gewone bedrijf van een vennootschap voor meer dan de helft bestaan uit opbrengsten die niet aan de omschrijving van de post ‘Omzet’ beantwoorden, dan geldt er een afwijkend regime. In dat geval kijkt men voor het begrip ‘omzet’ naar het totaal van de bedrijfs- én financiële opbrengsten, met uitsluiting van de niet-recurrente opbrengsten.  Voorbeeld 2Stel dat de resultatenrekening er als volgt uitziet:• jaaromzet, excl. btw: 300.000 euro• andere bedrijfsopbrengsten (met uitzondering van de niet-recurrente): 850.000 euro• andere financiële opbrengsten (met uitzondering van de niet-recurrente): 2.700.000 euro, en• niet-recurrente financiële en bedrijfsopbrengsten: 550.000 euro.De eerste drie posten komen voort uit het gewone bedrijf van de vennootschap. Samen vormen zij een totaal van 3.850.000 euro, waarvan meer dan de helft is samengesteld uit elementen die niet overeenkomen met de klassieke definitie van omzet. In dit geval wordt dus als omzet voor het groottecriterium het bedrag van 3.850.000 euro genomen.  Duur van het boekjaar van meer of minder dan twaalf maanden . In eerste instantie benadrukt de CBN dat het niet de bedoeling is dat vennootschappen systematisch een boekjaar hebben dat langer of korter is dan 12 maanden. Dat kan, bij wijze van uitzondering, wel toegestaan worden, maar een boekjaar kan nooit langer zijn dan 24 maanden min één kalenderdag.  Stel dat je dan toch in zo’n uitzonderlijke situatie bent, hoe bereken je dan de criteria?Volgens de CBN moet u het limietbedrag van de omzet, exclusief btw, vermenigvuldigen met een breuk waarvan de noemer twaalf is en de teller overeenstemt met het aantal maanden van het betrokken boekjaar. Elke begonnen maand wordt voor een volle maand geteld. Voorbeeld 3Neem een vennootschap met een omzet van 17.000.000 euro, excl. btw, in boekjaar X, dat 15 maanden telt. De limiet van de omzet (9.000.000 euro voor een kleine vennootschap) moet omgezet worden naar een limiet over 15 maanden. Met andere woorden: 9.000.000 euro x 15/12 = 11.250.000 euro > 9.000.000 euro. In dit voorbeeld heeft de vennootschap dus de omzetlimiet voor de kleine vennootschappen overschreden. Voorbeeld 4U zou ook de omzet van de vennootschap over 15 maanden kunnen terugbrengen naar een periode van 12 maanden en dán vergelijken met 9.000.000 euro, maar het eindresultaat is uiteraard hetzelfde : de vennootschap overschrijdt het omzetcriterium: 17.000.000 euro x 12/15 = 13.600.000 euro > 9.000.000 euro. Belang. Waarom moet u weten of uw onderneming een kmo is, of niet? Eerst en vooral omdat heel wat administratieve verplichtingen verschillend zijn voor kmo’s en andere vennootschappen. Denken we bijvoorbeeld aan de jaarrekening, die minder uitgebreid is voor microvennootschappen en kleine vennootschappen. Maar ook fiscaal zijn er verschillen te noteren. Opgelet echter! In sommige gevallen, en zeker wanneer het om Europese subsidieregels gaat, gelden er heel andere ‘kmo-normen’.

Lees meer
ABM logo tekst

De duurste deurbel van België?

15.04.2022

Als u werken laat uitvoeren aan uw woning, kan u een lager btw-tarief krijgen als die woning 10 jaar of ouder is. Maar het moeten dan wel werken aan uw woning zijn, en niet aan de poort van uw oprit. De feiten. Een aannemer verricht werken in onroerende staat: hij plaatst meer bepaald poorten en video- en parlofoonapparaten. Waar mogelijk – dus als de woning voldoende oud is – wordt het verlaagd tarief van 6% btw aangerekend. De Btw-Administratie komt daar achter tijdens een controle in 2013 en zij stuurt de aannemer een correctieopgave. Vervolgens verloopt de procedure zoals het hoort: de aannemer is niet akkoord, de Administratie stelt een proces-verbaal op, waarop de aannemer een administratief bezwaar indient. En dat wordt vervolgens afgewezen door de Administratie. De volgende stap is dan de rechtbank. Het dossier gaat van de rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen (16 april 2018) naar het Hof van Beroep van Antwerpen (11 februari 2020), waar de aannemer telkens ongelijk krijgt. De aannemer stapt vervolgens naar het Hof van Cassatie, dat op 23 december 2021 de aannemer finaal ongelijk geeft. Woning of poort. Zoals gezegd, is het verlaagd tarief enkel mogelijk als een particulier verbouwingen laat doen aan zijn privéwoning. Bij wijze van uitzondering geldt het verlaagd tarief ook voor werken aan gebouwen waarin ook een beroep wordt uitgeoefend, maar dan moet het duidelijk zijn dat enkel het privé-gedeelte ervan profiteert, of anders moet het beroepsmatig gedeelte erg beperkt zijn. Het Hof van Beroep van Antwerpen oordeelt dat het ophangen van poorten niet in aanmerking kan komen voor het verlaagd tarief van 6%. De werken moeten immers gebeuren aan een aanhorigheid bij de woning of moeten dienen ter verbetering van de woning zelf. En de werken moeten een onmiddellijk nut hebben voor de private woonfunctie.  Het maakt niet uit of de poort wordt opgehangen aan de gevel van het huis, dan wel aan een paal. Poorten die een afscheiding vormen van de eigendom, van de openbare weg, moeten als een afsluiting beschouwd worden en afsluitingen (de afspanning rond uw erf, een hek voor het huis, …) zijn uitgesloten van het verlaagd tarief. Deurbel. Het Hof spreekt zich ook uit over de videofoon en de parlofoon die geïnstalleerd worden aan de poorten. Hier stelt het Hof van Beroep dat de aanhechting aan de woning wél relevant is. Als de video- of parlofooninstallatie gehecht is aan de woning, voldoet die aan de voorwaarden voor de toepassing van het tarief van 6% en dan is voor de installatie ervan het verlaagd tarief van toepassing. In het andere geval – de videofoon hangt bijvoorbeeld aan de poort op 20 meter van de voordeur – is er geen verlaagd tarief mogelijk. Het Hof buigt zich tot slot nog over de situatie waarbij een deel van de installatie aangehecht is aan de woning en een ander deel gehecht is aan onderdelen die niet behoren tot de eigenlijke woning. U heeft bijvoorbeeld een poort met een parlofoon, maar de camera hangt wat verder aan het huis. Het zal u niet verbazen dat het Hof van Beroep hier oordeelt dat het deel van de werken dat betrekking heeft op de woning, onderworpen kan worden aan het verlaagd tarief van 6%, en het overige deel onderworpen moet worden aan het tarief van 21%. Kleine waarschuwing! Als het onderscheid niet gemaakt kan worden…, geldt het hoogste tarief. Na bijna 10 jaar procederen heeft de aannemer definitief ongelijk gekregen. Naast de proces- en advocatenkosten moet hij alsnog 15% btw ophoesten op de poorten en deurbellen die hij plaatste in de jaren vóór 2013. Dat zijn uiteindelijk wel héél dure deurbellen geworden...

Lees meer
ABM logo tekst

Doelgroepverminderingen voor eerste aanwervingen

13.04.2022

Sinds 2016 kan u een aanzienlijke vermindering van werkgeversbijdragen sociale zekerheid krijgen voor de eerste zes aanwervingen. Maar begin 2022 traden enkele wijzigingen in werking. Eerste of bijkomende aanwerving. Tot 2021 kon u een volledige vrijstelling van basisbijdragen genieten bij indienstneming van een eerste werknemer. Die vrijstelling was van onbeperkte duur.  Voor de volgende 5 aanwervingen – werknemer 2 tot 6 – kreeg u een forfaitaire vermindering voor een bepaald aantal kwartalen. Er waren wel wat voorwaarden: de nieuwe werknemer mocht geen werknemer vervangen die in dezelfde onderneming tewerkgesteld was tijdens de vier kwartalen vóór dat van aanwerving. Het moest dus gaan om een bijkomende aanwerving. Dat wil zeggen dat u in de 4 kwartalen vóór uw eerste aanwerving geen werkgeversbijdragen betaald had. Voor uw tweede werknemer mocht u in de 4 kwartalen vóór de aanwerving uitsluitend bijdragen betaald hebben voor één werknemer, enz. Die voorwaarde werd in principe per technische bedrijfseenheid bekeken, maar dat begrip was niet gedefinieerd. Eerste aanwerving: niet langer onbegrensd. Voortaan wordt de vrijstelling van sociale bijdragen begrensd tot 4.000 euro per kwartaal. Omgerekend betekent dit dat er nog steeds een volledige vrijstelling van patronale basisbijdragen is als het bruto maandloon zowat 5.330 euro of lager is. De vrijstelling geldt wel, zoals voorheen, onbeperkt in de tijd. Tweede tot zesde aanwerving. De verminderingen voor de tweede tot zesde aanwerving blijven ongewijzigd: die bedragen waren immers al beperkt in omvang en tijd: 5 eerste kwartalen: Werknemer 2: 1.550 euro;  Werknemer 3, 4, 5 of 6: 1.050 euro 4 volgende kwartalen: Werknemer 2, 3, 4, 5 of 6: 1.050 euro, en 4 volgende kwartalen: Werknemer 2, 3, 4, 5 of 6: 450 euro. Uitgesloten werknemers. Tot nu kwalificeerden sommige tijdelijke werknemers ook voor de verminderingen, maar sinds 2020 komen de volgende tijdelijk tewerkgestelde werknemers al niet meer in aanmerking: • werknemers tot 31 december van het jaar waarin ze de leeftijd van 18 jaar bereiken• leerlingen in het kader van de alternerende opleiding• dienstboden• jobstudenten, IBO-contracten, vrijwilligers• bepaalde stagiairs• personen onderworpen aan de deeltijdse leerplicht, en• gelegenheidsarbeiders in de tuin- en landbouwsector. Daar komen nu 2 categorieën bij: de gelegenheidswerknemers in de horecasector en flexi-jobbers. Voor deze werknemerscategorieën kan u dus geen vermindering van sociale zekerheid meer genieten. Anderzijds mag u deze werknemers ook negeren bij het bepalen van het aantal werknemers dat u al hebt. Het begrip “technische bedrijfseenheid” (TBE). Om te bepalen of u een 'nieuwe werkgever voor een 1e werknemer' bent, of om te bepalen welke rang van 2 tot 6 een nieuwe werknemer heeft, moet u niet alleen kijken naar de juridische entiteit. U moet kijken naar het grotere plaatje, namelijk naar de technische bedrijfseenheid of TBE. Als uw onderneming deel uitmaakt van een TBE, zal er dus naar de volledige TBE gekeken worden om te bepalen of u als een nieuwe werkgever beschouwd kan worden, om te bepalen of het om een aanwerving in tweede, derde, enz. rang gaat, of om te bepalen of de aanwerving als een vervanging beschouwd kan worden, of niet. Juridische entiteiten vormen een TBE als ze: gemeenschappelijke personen hebben (sociale band), zoals personeel dat overstapt, of werknemers die als zelfstandige eenzelfde functie verderzetten, en gelijkaardige of aanvullende activiteiten hebben (socio-economische verwevenheid), zoals: bankfilialen die opsplitsen in verschillende filialen of een verzelfstandigde informaticadienst binnen eenzelfde groep. Het kan zowel gaan om juridische entiteiten die gelijktijdig bestaan, als om juridische entiteiten die elkaar opvolgen. Om het recht op vermindering te openen, mag de nieuwe werknemer geen werknemer vervangen binnen de TBE; het moet dus gaan om een meertewerkstelling over de TBE heen. Maar hoe bepaalt u of een nieuwe aanwerving al dan niet een vervanging is binnen een TBE? U gaat daarvoor als volgt te werk. Eerst bepaalt u het maximumaantal werknemers dat gelijktijdig binnen de TBE tewerkgesteld was in de loop van de 12 maanden (dag op dag) die de indienstname voorafgaan. Noteer dat de nieuwe wet een tolerantie invoert van maximaal 5 kalenderdagen waarop een tijdelijke verhoging van het aantal werknemers in de referteperiode van 12 maanden niet in rekening wordt gebracht. Concreet betekent dit dat u de 5 dagen met het hoogste aantal werknemers niet moet meetellen om de maximumtewerkstelling te bepalen in de referteperiode van 12 maanden. Vervolgens neemt u het totaalaantal werknemers dat op de eerste dag door de nieuwe werkgever in dienst genomen wordt en verhoogt dat met het aantal werknemers dat eventueel nog tewerkgesteld is door de andere werkgevers in de TBE. Als het resultaat van de 2e stap minstens één meer bedraagt dan de eerste stap, heeft u recht op de doelgroepvermindering voor de aanwerving van een 1e (of 2e, 3e, 4e, 5e of 6e) werknemer. Berekening. De vermindering is niet gebonden aan een bepaalde werknemer. De werkgever kan dus elk kwartaal opnieuw kiezen voor welke werknemer hij de vermindering toepast: als een werknemer uit dienst treedt en vervangen wordt door een andere werknemer, kan u de vermindering van de uit dienst getreden werknemer voortzetten bij de nieuwe werknemer. Overgangsregeling. In principe blijft het recht op de doelgroepvermindering voor een indienstneming van vóór 1 januari 2022 behouden. De nieuwe regels met betrekking tot de ranginname bij een TBE gelden niet voor het verleden. Dit betekent dat, als het recht op de vermindering startte vóór 1 januari 2022, het binnen een TBE mogelijk blijft om meerdere eerste aanwervingen voor eenzelfde rang te hebben in verschillende juridische entiteiten. Ook de vermindering wegens eerste aanwerving van vóór 1 januari 2022 in een situatie die volgens de nieuwe regels niet meer in aanmerking zou komen, blijft behouden. Kreeg u de vermindering vóór 2022 voor een flexi-jobwerknemer, dan kan u dat recht dus na 31 december 2021 voortzetten met een gewone werknemer, maar omdat de flexi-jobwerknemer niet meer in rekening wordt gebracht om na te gaan of er een tewerkstelling was voor die bepaalde rang in de loop van de 12 voorafgaande maanden, kan het recht ook opnieuw worden geopend als aan alle voorwaarden wordt voldaan.

Lees meer
ABM logo tekst

De revalorisatiecoëfficiënt van het kadastraal inkomen in 2022

11.04.2022

Voor een ondernemer is de revalorisatiecoëfficiënt van het kadastraal inkomen (KI) relevant in twee specifieke situaties: als hij als particulier een woning verhuurt aan een onderneming én als hij als bedrijfsleider een woning verhuurt aan zijn eigen onderneming. De revalorisatiecoëfficiënt wordt elk jaar herbekeken. Revaloriseren versus indexeren. Het KI van gebouwen is de geschatte jaarlijkse huurprijs ervan. Oorspronkelijk – in de jaren ’60 en ‘70 – was die schatting het bedrag waarop men inkomstenbelastingen verschuldigd was. De belastingberekening is sindsdien geëvolueerd, maar de schatting wordt nog steeds uitgevoerd op basis van de normen en prijzen van 1975. Om de schatting toch een beetje actueel te houden, voerde de wetgever midden de jaren ’80 een soort van indexatie in via de zogenaamde revalorisatiecoëfficiënt. Voor 2022 bedraagt die coëfficiënt 4,86, tegenover 4,63 in 2021. Verwar revalorisatie echter niet met indexatie! Het achterliggende idee – namelijk het bedrag van het KI enigszins actueel houden – is hetzelfde, maar het regime van de indexatie wordt toegepast op de onroerende voorheffing en in de personenbelasting, terwijl de revalorisatiecoëfficiënt enkel gebruikt wordt in de twee hierna genoemde gevallen. Gebruikt uw huurder het gebouw voor beroepsdoeleinden?  . Wie een gebouw verhuurt aan een particulier, betaalt belastingen op het geïndexeerde KI van dat gebouw. Verhuurt u echter aan een onderneming of vzw, of aan een fysieke persoon die het gebouw gebruikt voor beroepsdoeleinden, dan betaalt u belastingen op de netto-huurprijs. Dat netto verkrijgt u door van de huurprijs een kostenforfait af te trekken van 40% van die huur.Op het kostenforfait staat wel een maximum: namelijk: 2/3e van het gerevaloriseerde KI.  Voorbeeld 1De huurprijs van een gebouw is 10.000 euro op jaarbasis. U mag van die huurprijs 4.000 euro (40%) aftrekken als kosten. De netto-huur bedraagt dus 6.000 euro. Stel dat het gebouw een KI heeft van 1.000 euro, dan mag het kostenforfait niet meer bedragen dan 2/3e van 1.000 euro x 4,68; dus 3.120 euro. U mag dus geen 4.000 euro aftrekken als kosten, maar slechts 3.120 euro; de belastbare huur bedraagt dus 6.880 euro, in plaats van 6.000 euro.  Voorbeeld 2Als in ons voorbeeld van daarnet het KI van de woning niet 1.000, maar 1.500 euro zou bedragen, dan bedraagt het maximale huurkostenforfait: 2/3e van 1.500 euro x 4,68. Dat is 4.680 euro en dat maximum ligt hoger dan het effectieve huurkostenforfait van 40% . U zal in dit geval dus belast worden op 6.000 euro. Verhuurt u aan uw eigen onderneming ? . De tweede situatie waarin we de revalorisatiecoëfficiënt gebruiken is die van de bedrijfsleider die een onroerend goed verhuurt aan de onderneming waarvan hij de bedrijfsleider is. Het gaat hier om een maatregel die bedoeld is om misbruiken tegen te gaan: immers, dankzij het kostenforfait van 40% was het vroeger soms interessanter om huur te ontvangen dan loon. Maar de huur die een bedrijfsleider ontvangt van zijn onderneming, wordt door een antimisbruikbepaling omgezet in beroepsinkomsten. Dat zal gebeuren als, en in de mate dat, de huurprijs hoger is dan 5/3e van het gerevaloriseerde KI. VoorbeeldStel dat de bedrijfsleider 10.000 euro ontvangt voor een woning met een KI van 1.000 euro.De herkwalificatie van de huur naar beroepsinkomen geldt in dit geval voor het deel van de huur dat hoger is dan: 5/3e van 1.000 euro x 4.68 = 7.800 euro.De bedrijfsleider zal in dit voorbeeld 7. 800 euro huur ontvangen, waarvan hij nog 40% huurkosten mag aftrekken, en 2.200 euro beroepsinkomsten, die de fiscus bij zijn andere beroepsinkomsten zal opnemen.  

Lees meer
ABM logo tekst

Bedrijfswagen voor gehandicapte medewerker

08.04.2022

In een FAQ (frequently asked questions) over de berekening van het voordeel van alle aard verbonden aan bedrijfswagens wijdde de fiscus al eens een vraag en antwoord aan de bedrijfswagen die wordt aangepast aan de handicap van een medewerker. Midden maart publiceerde de Administratie een circulaire met een update. Cataloguswaarde. Op zich gebeurt de berekening van het voordeel van alle aard van een bedrijfswagen die is aangepast aan de lichamelijke beperking van een werknemer, op exact dezelfde wijze als bij een standaardwagen: u vertrekt van de cataloguswaarde van het voertuig en op 6/7e van dat bedrag past u een CO2-percentage toe. Dat resultaat wordt dan nog aangepast volgens de leeftijd van het voertuig. De fiscus definieert de cataloguswaarde als: de catalogusprijs van het voertuig in nieuwe staat bij verkoop aan een particulier, inclusief opties en werkelijk betaalde belasting over de toegevoegde waarde, zonder rekening te houden met enige korting, vermindering, rabat of restorno. FAQ. Als deze regel naar de letter zou gevolgd worden, zou een werknemer met een handicap méér belastingen moeten betalen dan een werknemer zonder handicap, omdat de aanpassingen aan de wagen omwille van zijn handicap meestal veel geld kosten. Om dat negatieve effect tegen te gaan, bepaalde de fiscus in zijn FAQ van 2012 al dat hij – onder bepaalde omstandigheden – die bijkomende (aanpassings-)kosten buiten beschouwing zou laten. Concreet moest, en moet het nog steeds gaan om een bedrijfswagen die specifiek werd aangepast of omgebouwd in functie van de lichamelijke beperkingen van de werknemer. De bijkomende kosten zullen in dat geval niet meegenomen worden in de berekening van de cataloguswaarde áls de aanpassingen of verbouwingen niet ter beschikking staan van verkrijgers zonder lichamelijke beperkingen.  Dat betekent bijvoorbeeld dat de meerprijs van een voertuig met een automatische versnellingsbak niet genegeerd kan worden – en dus zal meetellen -, omdat ook personen zonder lichamelijke beperkingen een dergelijke optie kunnen krijgen. Maar een aanpassing waarbij de gas-, rem- en ontkoppelingspedalen vervangen worden door een systeem aan het stuur, wordt niet verrekend in de cataloguswaarde.  De bijkomende kosten moeten duidelijk uitgesplitst vermeld worden op de factuur. Circulaire: hogere categorie . De fiscus stelt vast dat het mogelijk is dat het voertuig dat ter beschikking wordt gesteld omwille van de lichamelijke beperking, een voertuig is van een hogere categorie dan de categorie waarop een medewerker zonder handicap recht zou hebben volgens het bedrijfswagenbeleid. Zo passen rolstoelen meestal niet in een klein model bedrijfswagen en moet er dus voor een groter model gekozen worden. Voortaan aanvaardt de fiscus dat het voordeel van alle aard in dergelijke situaties wordt vastgesteld op basis van een fictieve bedrijfswagen die de werknemer zou hebben gekozen met het budget waarop hij volgens het bedrijfswagenbeleid van de werkgever recht zou hebben gehad zonder zijn lichamelijke beperking. Zoals zo dikwijls is een duidelijke carpolicy ook hier dus erg belangrijk.

Lees meer
ABM logo tekst

Belasting op de aanbrengpremie voor nieuw personeel

04.04.2022

De zoektocht naar goed personeel lijkt voor veel bedrijven meer op een calvarietocht. Heel wat bedrijven belonen een tip voor het aanbrengen van een nieuwe medewerker dan ook met een aanbrengpremie. De fiscale Rulingcommissie liet onlangs haar licht schijnen op het belastingstelsel van die aanbrengpremies. De feiten. X is een dienstverlenende onderneming. Omdat zij – net als vele andere bedrijven uit de sector – geen geschikt personeel vindt, beslist ze om een aanbrengpremie uit te betalen aan al wie een geschikte kandidaat-werknemer aanbrengt. De premie kan dus zowel aan de eigen werknemers, als aan derden toegekend worden. Het initiatief wordt wereldkundig gemaakt via allerlei kanalen, waaronder de eigen website, social media, enz. Het bedrag van de premie is afhankelijk van het profiel van de aangebrachte kandidaat, en meer bepaald van diens relevante werkervaring. Voorwaarden. Om de premie te kunnen krijgen, moeten enkele voorwaarden vervuld zijn:- enkel nieuwe kandidaten kunnen voorgesteld worden. Ex-medewerkers, stagiairs, jobstudenten, … komen niet aanmerking; - de kandidaat moet aangebracht worden via een specifieke procedure;- alle vacante functies die op de website van X gepubliceerd worden, komen in aanmerking voor de aanbrengpremie; - de aanbrenger wordt na het aanwervingsproces geïnformeerd over de beslissing; en - de kandidaat moet minstens 6 maanden in dienst blijven. Na die 6 maanden wordt de aanbrengpremie uitgekeerd.Een persoon kan meermaals per jaar in aanmerking komen voor een aanbrengpremie. Eigen personeel of derden . Zoals hierboven al werd aangehaald, komen zowel de eigen personeelsleden, als andere personen van buiten de onderneming, in aanmerking voor de aanbrengpremie. Het eigen personeel omvat elke werknemer die op het ogenblik van het aanbrengen van de kandidaat-werknemer in dienst is bij X. HR-medewerkers en de vennoten en bestuurders van X zijn uitgesloten. Onder de andere personen van buiten de onderneming vallen alle personen die niet in dienst zijn bij X, met uitsluiting van externe HR-bedrijven, interimkantoren, vakbondsorganisaties,… Hoe wordt de aanbrengpremie bij de werknemers belast? . De wet omschrijft bezoldigingen en wedden als alle beloningen die voor de werknemer de opbrengst zijn van arbeid in dienst van een werkgever. Op basis van die definitie zijn geschenken of kortingen die een werkgever aan het personeel geeft in de regel een vorm van belastbaar loon. Een aanbrengpremie zou daar ook kunnen onder vallen. Maar, zegt de Rulingcommissie, de Administratie laat de belastingplichtigen wel toe om aan te tonen dat een voordeel wordt toegekend om een ándere reden dan de arbeidsrelatie, of nog dat het voordeel evengoed had kunnen verkregen worden indien de beroepswerkzaamheid niet werd uitgeoefend. En dat is precies wat hier gebeurt: de aanbrengpremie staat niet alleen open voor het eigen personeel, maar ook voor derden. Om die reden moet de uitkering van de aanbrengpremie aan het eigen personeel niet als loon worden beschouwd. De uitkering moet op dezelfde manier belast worden als bij derden die de aanbrengpremie ontvangen. Hoe wordt de aanbrengpremie bij derden belast?. Waar de Rulingcommissie in eerste instantie redelijk tolerant lijkt te zijn voor de belasting van de aanbrengpremie bij het eigen personeel, is ze wel streng voor wat de aanbrengpremie bij derden betreft. Volgens de Rulingcommissie moet de aanbrengpremie daar als een toevallige prestatie beschouwd worden; dus zowel bij derden, als bij het eigen personeel. Dat betekent dat de premie belastbaar is als een divers inkomen, aan een belastingtarief van 33%.  De begunstigde mag zijn kosten in mindering brengen, maar er is geen forfait: enkel de werkelijk bewezen kosten kunnen afgetrokken worden. Bovendien meent de Rulingcommissie dat het maar om ‘toevallige prestaties’ kan gaan als de aanbrengpremie niet meer dan twee keer wordt toegekend aan eenzelfde persoon. U moet die voorwaarde beschouwen als het resultaat van de onderhandelingen in dit concrete dossier. Het is zeker geen regel die in de wet staat ingeschreven. De vraag is trouwens wat er gebeurt als één persoon méér dan 2 personen zou aanbrengen? Wordt de vergoeding dan ‘loon’? Beter voor eigen personeel. Ondernemingen die een aanbrengpremie willen toekennen, kunnen overwegen om ook buitenstaanders te belonen voor het aanbrengen van nieuwe medewerkers. Dat komt in elk geval hun eigen personeel ten goede, al is dat in beperkte mate. 

Lees meer
ABM logo tekst

Bijzondere bestuurdersaansprakelijkheid bij faillissement

31.03.2022

De bijzondere bestuurdersaansprakelijkheid geldt niet voor de bestuurders van kleine vennootschappen in faling. Maar wie moet aantonen dat de vennootschap klein is? De schuldeisers/curatoren? Of de bestuurders/zaakvoerders? Eind 2021 hakte het Hof van Cassatie de knoop door. Bestuurdersaansprakelijkheid. Bij een deficitair faillissement hebben de schuldeisers er uiteraard alle belang bij om naast de vennootschap, zo veel mogelijk andere schuldenaren te betrekken bij hun schuldvorderingen. Niet zelden wordt dan gekeken of het privévermogen van de bestuurders kan aangesproken worden. In de praktijk zijn er twee mogelijkheden om daartoe te komen. De gewone bestuurdersaansprakelijkheid is alvast een eerste optie: als de schuldeisers (of de curator die voor de schuldeisers optreedt) kunnen aantonen dat er een inbreuk werd gepleegd op het Wetboek vennootschappen en verenigingen (WVV) of op de statuten van de vennootschap, kunnen zij op basis daarvan de betrokken bestuurder aansprakelijk stellen. Maar deze vordering heeft wat nadelen: Als de vennootschap kwijting heeft verleend aan de bestuurders, is die weg afgesloten. De aansprakelijkheid is persoonlijk: dat wil zeggen dat de schuldeisers voor elke individuele bestuurder moeten aantonen dat er sprake is van een schending van het WVV of van de statuten. Tot slot moeten ook de schade, en het verband tussen de fout en de schade bewezen worden. Bijzondere bestuurdersaansprakelijkheid. Een tweede mogelijkheid vinden we niet in het WVV, maar wel in het Wetboek van economisch recht (WER). Artikel XX.225 van het WER bepaalt dat bij een deficitair faillissement de huidige of gewezen bestuurders, zaakvoerders, dagelijks bestuurders, leden van een directieraad of van een raad van toezicht, alsmede alle andere personen die ten aanzien van de zaken van de onderneming werkelijke bestuursbevoegdheid hebben gehad, persoonlijk en al dan niet hoofdelijk aansprakelijk worden verklaard voor het geheel of een deel van de schulden van de onderneming ten belope van het tekort, indien komt vast te staan dat een door hen begane, kennelijk grove fout heeft bijgedragen tot het faillissement. Uit de wettekst kunnen we verschillende elementen afleiden.Ten eerste: de aansprakelijkheidsvordering kan veel mensen treffen. Niet alleen de personen die formeel als bestuurder in de onderneming optraden, maar ook de feitelijke bestuurders. Dat is altijd een punt van discussie. Ten tweede: de aansprakelijkheidsvordering is enkel mogelijk als er:a) een deficitair faillissement is, en b) de betrokken personen een kennelijk grove fout begingen die bijdroeg tot het faillissement. Dat een faillissement deficitair is, is veelal geen discussiepunt. Maar of er sprake is van een kennelijk grove fout, is dat meestal wel. Rechtspraak en rechtsleer spreken van een kennelijk grove fout als een handeling werd gesteld die een normaal zorgvuldig en omzichtig bestuurder nooit zou stellen. De rechter mag zich daarbij niet uitspreken over de opportuniteit van de beleidsbeslissingen. Het gaat er enkel om vast te stellen dat de bestuurder een fout heeft begaan die niet strookt met wat men zou verwachten in het vennootschapsleven of zelfs in de samenleving, en de betrokken persoon wist of kon weten dat dit schade zou berokkenen. Uitzondering. Zodra alle voorgaande elementen vast staan, is er dus een mogelijkheid tot schadevergoeding. Maar daar bestaat wel een uitzondering op. De bijzondere aansprakelijkheid geldt namelijk niet als de gefailleerde onderneming over de drie boekjaren vóór het faillissement, of – indien de onderneming sedert minder dan drie jaar is opgericht – in alle boekjaren vóór het faillissement, een gemiddelde omzet van minder dan 620.000 euro, buiten de belasting over de toegevoegde waarde, heeft verwezenlijkt en wanneer het totaal van de balans bij het einde van het laatste boekjaar niet hoger was dan 370.000 euro.  De vraag die op 2 december 2021 door het Hof van Cassatie werd beantwoord is wíe moet aantonen dat de uitzondering van toepassing is: de bestuurder of de curator. Het hof maakt er niet veel woorden aan vuil: uit de samenhang van deze wetsbepalingen volgt volgens het hof dat de zaakvoerder moet bewijzen dat de […] drempels niet zijn overschreden zodat [de bijzondere bestuurdersaansprakelijkheid] niet op hem kan worden toegepast. Dit betekent dus dat de bewijslast bij de bestuurders en zaakvoerders ligt. Zij moeten aantonen dat de onderneming waarin zij bestuurder, zaakvoerder, … waren, ónder de genoemde grenzen blijft. Slagen zij niet in dat bewijs, dan kan de curator (of kunnen de schuldeisers) verder gaan met de vordering om de bestuurders aansprakelijk te stellen voor een kennelijk grove fout.

Lees meer
ABM logo tekst

Loontrekkenden onder het nieuwe dubbelbelastingverdrag met Frankrijk

28.03.2022

Op 9 november 2021 ondertekenden België en Frankrijk een nieuw dubbelbelastingverdrag. De tekst moet nog door het parlement geloodst worden. In een dubbelbelastingverdrag wordt afgesproken welk land, welke inkomsten mag belasten. Het oude verdrag tussen België en Frankrijk dateert al van 1964. Buiten een grondige hernummering zal het nieuwe verdrag geen aardverschuiving veroorzaken, maar het is toch even opletten voor wat wél zal veranderen. 183 dagen. Een vaste regel, die we in alle dubbelbelastingverdragen terugvinden, is de zogenaamde 183-dagenregel. Als een Belg in Frankrijk loon verwerft, dan is die Belgische werknemer in principe in België – zijn woonstaat – belastbaar. Als de Belg daarentegen ook fysiek in Frankrijk verblijft, zal Frankrijk (de werkstaat) hem mogen belasten.  Op die regel bestaat een uitzondering – wat dus betekent dat de Belgische werknemer in België zal belast worden – als drie voorwaarden gelijktijdig vervuld zijn:1. De Belg verblijft minder dan 183 dagen in Frankrijk.2. Het loon komt niet ten laste van een Franse werkgever.3. Het loon komt niet ten laste van een vaste inrichting in Frankrijk. De logica die hierachter zit is vrij eenvoudig: als het loon een aftrekbare kost vormt in Frankrijk, dan wil Frankrijk het loon ook als een inkomen kunnen belasten. Bovenstaande regel geldt op dezelfde manier voor de Fransman die in België komt werken. Wat is nieuw?. De 183-dagenregel (puntje 1 hierboven) bestond ook al onder het oude verdrag, maar de 183 dagen worden nu anders berekend: onder het oude verdrag moest je de berekening per kalenderjaar maken. Als iemand van 2 juli 2020 tot 29 juni 2021 in Frankrijk verbleef, voldeed die onder het oude verdrag aan de minder dan 183-dagenregel. Onder het nieuwe verdrag moet u de periode beoordelen per tijdvak van 12 maanden. Als een werknemer dus op 2 juli 2020 naar Frankrijk vertrekt, dan wordt op 2 juli 2021 bekeken hoeveel dagen hij er in totaal verbleven heeft. In andere, recente dubbelbelastingverdragen wordt de 183-dagenregel zo al toegepast. Dat het loon betaald wordt door, of namens, een werkgever die géén inwoner is van de werkstaat (puntje 2 hierboven), is ook nieuw. Vroeger stond er namelijk dat het loon ten laste moest zijn van een ‘Belgische werkgever’. Nu volstaat het dat die werkgever geen Franse werkgever is. Bij een Belg die in Frankrijk werkt voor een Duitse werkgever speelde de 183-dagenregel niet, maar onder het nieuwe verdrag is dat wél het geval. De derde regel – het loon mag niet ten laste komen van een vaste inrichting van de werkgever in de werkstaat – werd gewoon overgenomen uit het vorige dubbelbelastingverdrag. Inwerkingtreding. Het parlementaire proces van een belastingverdrag is moeilijk te voorspellen. In België moeten naast de federale overheid immers ook de gewesten hun goedkeuring geven. Meestal ligt dit soort van documenten ook niet bovenop de stapel van het wetgevend werk. Maar soms, als het heel erg belangrijk is, kan het toch snel gaan. Algemeen verwachten we dat het nieuwe dubbelbelastingverdrag met Frankrijk in werking zal treden op 1 januari 2023.  Dat geeft u als werkgever nog wat tijd om te kijken of het verdrag een impact heeft op uw werknemers. Denk maar aan de Belg die tijdelijk voor een Duitse werkgever in Frankrijk werkt: die kan nu plots wél de 183-dagen regel genieten, waar dat voorheen niet kon. Er moet zeker gekeken en berekend worden of het zinvol is om de belastingheffing naar België toe te trekken door de voorwaarden van de nieuwe 183-dagenregel toe te passen, dan wel of het juist interessanter is om te vermijden dat België belastingbevoegd wordt. Ten slotte mogen we ook niet uit het oog verliezen dat het bovenstaande ook geldt voor Franse inwoners die in België komen werken. Zeker voor vennootschapsgroepen die vestigingen hebben in beide landen en die hun personeel regelmatig de grens laten oversteken, moet het nieuwe verdrag grondig bekeken worden.

Lees meer
ABM logo tekst

Aanschaffingsprijs van aandelen na rechterlijke beslissing

22.03.2022

De Commissie voor Boekhoudkundige Normen (CBN) sprak zich recent uit over de boeking van een aanpassing van de aanschaffingsprijs van de aandelen na een rechterlijke beslissing. Gaat het hier om een opbrengst of moet de aanschaffingsprijs herzien worden? De feiten. Vennootschap A koopt een aantal vennootschappen van B. Zoals gebruikelijk in dat soort zaken wordt er een zogenaamde due diligence uitgevoerd. Dat due diligence-verslag vermeldt geen enkel voorbehoud, zodat geconcludeerd wordt dat alle toepasselijke wetten en regelgevingen door groep B werden nageleefd. Maar na verloop van tijd blijkt er toch een probleem te zijn. A stelt grote juridische fouten en ernstige onregelmatigheden vast in de overgenomen ondernemingen. De werkelijkheid blijkt helemaal niet overeen te stemmen met de uitgevoerde due diligence en de overgenomen vennootschappen blijken in werkelijkheid minder waard te zijn dan de betaalde prijs. A en B onderhandelen daarover en sluiten een dading. A laat haar vorderingen vallen, in ruil voor een vermindering van de aanschaffingsprijs door de verkoper. Via de dadingsovereenkomst worden alle waarborgen van de verkoper vereffend. A stapt ook naar de advocaat die de due diligence uitvoerde, om een vergoeding te krijgen voor de schade die door zijn fout werd geleden. De advocaat had de ernstige juridische fouten immers niet blootgelegd en had de aankoopprijs voor de overname van de overgenomen vennootschappen verkeerd beoordeeld.  De rechtbank hakt de knoop door in het voordeel van A, zodat de advocaat aan A een schadevergoeding moet betalen. A meent dat de betaling van de schade door de advocaat bestaat uit een vergoeding voor de te hoge prijs die betaald werd voor de verwerving van de aandelen. Volgens A moet een dergelijke vergoeding vanuit boekhoudkundig oogpunt dus behandeld worden als een prijsherziening van het initieel betaalde aankoopbedrag. Beslissing van het College. A stapt met dit verhaal naar de CBN, maar die is duidelijk een andere mening toegedaan. Het college beslist dat de vergoeding niet beschouwd kan worden als een herziening van de aanschaffingsprijs van de aandelen. De vergoeding moet daarom opgenomen worden onder de opbrengsten in de resultatenrekening. De voornaamste reden daarvoor blijkt te zijn dat de vergoeding niet betaald werd door de verkoper van de aandelen, op basis van de overeenkomst voor de overdracht van aandelen, maar wel door de advocaat, in hoofde van diens aansprakelijkheid als raadsman van de koper.

Lees meer

Meer en beter persoonlijk advies dankzij doorgedreven digitalisering

21.03.2022

Jonge vennoten versnellen proces van automatisering bij ABM Accountants in Zonhoven. Verregaande automatisering en digitalisering was altijd al een prioriteit voor ABM Accountants uit Zonhoven. “Hoe meer routinezaken je kunt automatiseren, hoe meer tijd je overhoudt voor de echte inhoud van onze job: waardevol persoonlijk advies. Want alleen daarmee kunnen we ons op lange termijn onderscheiden”, zegt Dirk Mangelschots, drijvende kracht achter, en gezicht van het accountantskantoor daarover. Die lange termijn was zonder twijfel Mangelschots’ tweede stokpaardje. Lang voordat duidelijk werd dat dochter Femke interesse toonde om in zijn voetsporen te treden, was hij er immers van doordrongen dat je geen accountantsbureau start ‘voor één generatie’. “Als accountant leg je een hele weg samen met je klanten af. Je bent geen leverancier van een product dat makkelijk inwisselbaar is voor een vergelijkbare variant, maar vormt een team dat in belangrijke mate steunt op visie en vertrouwen. Alsof je een stukje bent van de organisatie, terwijl je toch je blik als ‘adviseur van buitenaf’ kan bewaren.” De gestage groei noopte in 2016 tot een verdubbeling van de kantooroppervlakte aan de Eikenenweg. Voor Mangelschots hét moment om het kantoor ook een veel dynamischer imago aan te meten: ABM 2.0. “Die rebranding was een schot in de roos”, kijkt hij daar enthousiast op terug. “Het leverde ons niet alleen een groeispurt van jewelste op, maar maakte ons meteen ook sexy voor jong, ambitieus talent. Net wat we nodig hadden om het kantoor naar nieuwe hoogtes te leiden en de lange termijn te verzekeren.” Eind 2020 gaf ABM Accountants zijn medewerkers Wim Brugmans, Laurent Ghijsens en Femke Mangelschots concreet uitzicht op aandeelhouderschap in “ABM 20.22”, een werknaam die verwijst naar het jaar waarin dat realiteit zou worden. “Dat geeft hen net voldoende tijd om hun strategisch plan op punt te zetten”, sprak Dirk Mangelschots toen uitdagend. “En met minder dan het succes van de voorbije jaren moeten ze niet afkomen”. Die termijn is nu voorbij en de targets werden meer dan gehaald. De jonge generatie kwam daarom vanaf januari 2022 nadrukkelijk mee op het voorplan. Met als eerste, heel zichtbare realisatie: een nieuwe app waarmee klanten in realtime hun dossier kunnen raadplegen en opvolgen. Symbolischer wordt het niet, digitaal is ook bij ABM Accountants voortaan het nieuwe normaal. Meer info: Dirk Mangelschots ABM Accountants Eikenenweg 73/B 3520 Zonhoven 011 53 05 70 abm-accountants.com info@abm-accountants.com

Lees meer
ABM logo tekst

Laadpalen: het btw-verhaal

14.03.2022

Eind 2021 pakte de wetgever uit met een wet die onze mobiliteit moet vergroenen door enerzijds de fiscale aftrek van voertuigen op fossiele brandstoffen af te schaffen, en door anderzijds de investeringen in verplaatsingen zonder C02-uitstoot aan te moedigen. Zo genieten ondernemingen een verhoogde aftrek voor de installatie van laadpalen. Particulieren hebben recht op een belastingvermindering. Maar hoe zit het met het btw-aspect van die laadpalen? Particulier. Wie een laadinstallatie laat plaatsen, moet btw betalen op het factuur. Omdat een laadpaal die vastzit in de grond, aan uw huis of misschien aan uw carport, beschouwd wordt als een onroerend goed, kan u eventueel het verlaagd btw-tarief van 6% genieten voor verbouwingen aan woningen die meer dan 10 jaar oud zijn. Volgens de Btw-administratie is het verlaagd tarief mogelijk als de laadpaal geïnstalleerd wordt: in de eigenlijke privéwoning of aan de buitengevel ervan in, of aan de gevel van de garage of carport van de bewoner van de privéwoning (ook bij privatieve garageboxen van appartementsgebouwen, en privatieve staanplaatsen in, of onder een appartementsgebouw, voor zover het appartement waartoe ze behoren, als een privéwoning wordt gebruikt) aan de toegangsweg die de openbare weg verbindt met de garage die deel uitmaakt van de eigenlijke woning of met de voornaamste toegang tot de woning of het gebouw, of op het buitenterras dat deel uitmaakt van de woning omdat het eraan grenst. De laadpaal moet dus op één of andere manier verbonden zijn met het onroerend goed. Laat u de installatie plaatsen in een garagebox verderop in de straat, dan kan u dat tarief niet genieten. Werknemer. Werknemers die een laadpaal installeren kunnen, net als particulieren, een verlaagd btw-tarief genieten als de woning waar de installatie komt, 10 jaar of ouder is. Het verlaagd tarief is ook van toepassing als de installatie door de werkgever wordt betaald. Ook het feit dat de werkgever het laadstation al dan niet tegen betaling ter beschikking stelt van zijn werknemer, is niet van belang. Ondernemer. Voor ondernemingen zijn er twee aspecten relevant: enerzijds het tarief, en anderzijds de aftrekbaarheid. Wat het tarief betreft: gebouwen die gedeeltelijk voor beroepsdoeleinden worden gebruikt, kunnen geen gebruik maken van het verlaagd btw-tarief als het beroepsmatige gebruik de overhand heeft, tenzij het laadstation in het privégedeelte van de woning wordt geïnstalleerd. Het verlaagd btw-tarief is echter niet van toepassing als het laadstation wordt geplaatst in het beroepsgedeelte van een woning die in haar totaliteit overwegend voor privé-doeleinden wordt gebruikt. Tussen tarief en aftrek moeten we er trouwens ook nog op wijzen dat als werken in onroerende staat geleverd worden aan een btw-plichtige, de voldoening van de btw verplicht verlegd wordt. De aannemer factureert dus zonder btw en de klant betaalt de btw via zijn eigen aangifte. Dat geldt niet alleen voor de btw op de plaatsing van de laadpalen, maar ook voor de btw op het onderhoud en op andere bijkomende diensten van de provider (zoals de toegang tot het digitaal platform), op voorwaarde dat het onderhoud en de bijkomende diensten deel uitmaken van één overeenkomst. Wat de aftrek van de btw betreft, hangt veel af van de plaats waar de onderneming het laadstation laat installeren. Wordt het geïnstalleerd bij de onderneming zelf (en niet bij één van de werknemers), dan zal het laatstation beschouwd worden als onderdeel van de elektrische installatie van de onderneming. De btw is dan volledig aftrekbaar in drie situaties: het laadstation wordt enkel gebruikt door de bestuurders, zaakvoerders en werknemers van de belastingplichtige onderneming met volledig recht op aftrek klanten of leveranciers van de belastingplichtige onderneming kunnen het laadstation gebruiken in het kader van hun bezoek aan de belastingplichtige (al dan niet tegen betaling) derden kunnen het laadstation tegen betaling gebruiken.  Ook als de onderneming de installatie huurt, in plaats van ze in eigendom te hebben, is er recht op volledige aftrek. Anders loopt het als de installatie bij de werknemer wordt geplaatst. De fiscus maakt dan een onderscheid naargelang de laadinstallatie gratis, of tegen vergoeding ter beschikking wordt gesteld van de werknemer. Wordt het laadstation gratis ter beschikking gesteld van de werknemer, dan wordt de btw-aftrek op de installatiekosten beperkt tot het beroepsmatige gebruik van de wagen. Inzake btw zijn er drie methodes om het beroepsmatige gebruik van een voertuig vast te stellen: de methode op basis van de werkelijk gereden beroepskilometers, een semi-forfaitaire methode en ten slotte een algemeen forfait van 35%. De btw-aftrek voor de laadpaal volgt dus de btw-aftrek aan de hand van één van de drie methodes die gelden voor het voertuig zelf. Betaalt de werknemer voor de laadpaal (hij huurt ze bijvoorbeeld van de werkgever) of er is een vermindering van het nettoloon, dan moet de werkgever btw aanrekenen op de vergoeding. De aftrek van de btw op de installatiekosten wordt dan logischerwijze ook niet beperkt. De fiscus eist wel dat de vergoeding die de werknemer betaalt, gelijk is aan de normale waarde. Niet alleen moet dan rekening gehouden worden met een normale afschrijvingsperiode (5 jaar), maar de belastbare basis voor de btw moet ook beperkt worden tot het privé-gebruik van het voertuig. Groener is niet simpeler. U merkt het: de maatregelen die eind 2021 genomen werden om u ertoe aan te zetten uw wagenpark om te schakelen van fossiele brandstoffen naar elektriciteit, hebben ook een btw-kantje. Dat btw-kantje werd niet mee aangepast en dat verhoogt de complexiteit van de investeringsbeslissing. 

Lees meer
ABM logo tekst

De wederopbouwreserve

25.02.2022

In het kader van de bestrijding van de gevolgen van de corona-crisis werd eind 2020 de wederopbouwreserve ingevoerd. De wetgever wil zo de solvabiliteit en het eigen vermogen van de getroffen vennootschappen opnieuw versterken. De wet op die wederopbouwreserve werd midden januari van commentaar voorzien door de fiscus. Doel van de wederopbouwreserve. Vennootschappen kunnen bij het verstrijken van ieder belastbaar tijdperk dat verbonden is aan één van de aanslagjaren 2022, 2023 of 2024, een wederopbouwreserve aanleggen, die onder bepaalde voorwaarden en binnen bepaalde grenzen, niet als winst wordt aangemerkt. Vennootschappen die op de afsluitdatum van het boekjaar dat afsluit in 2020, geen bedrijfsverlies hebben geleden, komen niet in aanmerking. De wederopbouwreserve is dus eigenlijk een vorm van betalingsuitstel van fiscale lasten, ten aanzien van winsten die in de toekomst gecreëerd kunnen worden. Via de wederopbouwreserve kunnen vennootschappen die hun eigen vermogen en de tewerkstelling op peil houden, snel terug over een gelijkwaardig eigen vermogen beschikken als vóór het corona-tijdperk. Beperkingen. De wederopbouwreserve wordt per belastbaar tijdperk beperkt, maar wordt ook op globale wijze beperkt voor de drie bedoelde aanslagjaren. Zo is de wederopbouwreserve beperkt tot het bedrag van de belastbare gereserveerde winst van het belastbaar tijdperk, vóór de samenstelling van die vrijgestelde reserve. Daarnaast is het maximumbedrag van de wederopbouwreserve, inclusief de reeds belaste bedragen: gelijk aan het bedrag van de bedrijfsverliezen, vastgesteld overeenkomstig de wetgeving op de boekhouding en de jaarrekening, op de afsluitdatum van het boekjaar in 2020, en beperkt tot 20 miljoen euro. Vennootschappen die anders dan per kalenderjaar boekhouden en die hun boekjaar afsluiten tijdens het eerste deel van 2020, hebben nog niet noodzakelijk de negatieve gevolgen van de pandemie ondervonden en krijgen de mogelijkheid om te kiezen voor de jaarrekening die afsluit in 2021 als referentie voor de vaststelling van het bedrijfsverlies. Uitgesloten vennootschappen. Vennootschappen die een bijzonder fiscaal stelsel genieten, zoals beleggingsvennootschappen, gereglementeerde vastgoedvennootschappen, coöperatieve participatievennootschappen … zijn uitgesloten. Zijn ook uitgesloten: vennootschappen die overgaan tot een vermindering of een verdeling van het eigen vermogen. Concreet betekent dit dat de vennootschap uitgesloten wordt als ze één van de volgende verrichtingen heeft uitgevoerd: inkoop van eigen aandelen toekenning of uitkering van dividenden (gewone dividenduitkeringen, liquidatiebonus bij vereffening, …) kapitaalvermindering, met inbegrip van de kapitaalvermindering zoals bedoeld in artikel 537 van het WIB92, en elke andere vermindering of verdeling van het eigen vermogen. Vervolgens is de vrijstellingsregeling ook niet van toepassing op vennootschappen die reeds bij de aanvang van de Covid-19-crisis – namelijk op 18 maart 2020 – beschouwd konden worden als ondernemingen in moeilijkheden. Andere voorwaarden. De wederopbouwreserve wordt alleen vrijgesteld in de mate dat ze op één of meer afzonderlijke rekeningen van het passief geboekt is, en blijft, en ze niet tot grondslag dient voor de berekening van de jaarlijkse dotatie aan de wettelijke reserve of van enige beloning of toekenning (de zgn. onaantastbaarheidsvoorwaarde). De vennootschap mag (in de betrokken periode) geen rechtstreekse deelneming hebben in een vennootschap gevestigd in een belastingparadijs, noch mag ze betalingen gedaan hebben aan dergelijke vennootschappen voor een totaalbedrag van ten minste 100.000 euro voor het belastbaar tijdperk, tenzij de vennootschap kan aantonen dat het om werkelijke en oprechte verrichtingen gaat. Belastbaarheid. De bedragen die aangelegd werden als wederopbouwreserve, worden geheel of gedeeltelijk aangemerkt als winst van het belastbaar tijdperk indien de vennootschap in dat belastbaar tijdperk één van de volgende verrichtingen uitvoert: inkoop van eigen aandelen toekenning of uitkering van dividenden vermindering of verdeling van het eigen vermogen besparing op de bezoldigingen: als er op de rekening '620 Bezoldigingen en rechtstreekse sociale voordelen' een bedrag staat dat lager is dan ofwel 85 % van het bedrag dat voor dezelfde post is vastgesteld voor het boekjaar dat is geëindigd in 2019 als voor het eerst tijdens het belastbaar tijdperk aan die voorwaarde wordt voldaan, ofwel de drempel die voorheen de laagste was als aan dezelfde voorwaarde is voldaan in een vorig belastbaar tijdperk, dan worden de bedragen die aangelegd werden als wederopbouwreserve belastbaar ten belope van het verschil tussen de drempel van 85 % of het bedrag van de voorheen laagste drempel, en het bedrag van de hiervoor vermelde rekening '620 Bezoldigingen en rechtstreekse sociale voordelen'.

Lees meer
ABM logo tekst

Poging tot diefstal kan leiden tot ontslag om dringende reden

22.02.2022

Ontslag om een dringende reden is een belangrijke beslissing. Het betekent dat door een fout van de werknemer het vertrouwen met de werkgever verbroken is en er meteen, en zonder vergoeding, een einde wordt gemaakt aan de arbeidsrelatie. Enige vorm van proportionaliteit tussen de omvang van de schade enerzijds, en de financiële gevolgen van het ontslag anderzijds, is niet van belang. Uit de praktijk. In de loop van februari 2017 wordt mevrouw ‘A’ ontslagen. Ze krijgt een opzeg van 3 maanden en 13 weken. Maar in de loop van de maand maart loopt het fout en ‘A’ wordt met onmiddellijke ingang ontslagen omdat ze geprobeerd heeft geld te stelen. Er zijn camerabeelden waaruit blijkt dat ‘A’ op meerdere momenten geld uit de kassa neemt en in een lade stopt. Ze haalt zo 340 euro uit de kassa. Op het einde van haar werktijd telt ‘A’ haar kassa, zonder dat er iemand anders bij is, geeft ze die door aan een andere medewerker (een nieuwkomer), en vertelt ze die medewerker dat de kassa klopt, wat niet het geval is. Daarnaast heeft ‘A’ ook meerdere keren privé gebeld, wat uitdrukkelijk verboden is. Geen diefstal. ‘A’ geeft voor de rechtbank van eerste aanleg háár visie op de feiten. ‘A’ haalt aan dat ze zich pas achteraf bewust werd van het feit dat het geld nog in de lade zat. Ze wist dat ze gefilmd werd. En ze had het geld niet meegenomen. Er kon dus geen sprake zijn van diefstal. Uiteindelijk beslist de rechtbank dat een ontslag om dringende redenen hier niet correct was. De werkgever kon immers niet aantonen dat ‘A’ de intentie had om te stelen. De vastgestelde feiten waren niet ernstig genoeg zijn om een ontslag om dringende redenen te rechtvaardigen. De werkgever werd veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding, moratoriuminteresten en de rechtsplegingsvergoeding. De werkgever is het daar niet mee eens en gaat in beroep. Wel manifeste fraude. Voor het hof worden de feiten nog eens uit de doeken gedaan. Daarbij wordt verduidelijkt dat het niet ongebruikelijk is dat er geld uit de kassa wordt gehaald en in de lade wordt gestopt (één van de argumenten van mevrouw ‘A’ voor de rechtbank). Maar als het bedrag in de lade te hoog wordt, moet het geld naar de brandkast gebracht worden. Andere personeelsleden bevestigen dat het gebruikelijk was dat het geld pas werd overgedragen als er 500 euro in de lade lag. Maar dat is zeker niet volgens de onderrichtingen van de werkgever. Bovendien tekende ‘A’ bij de overdracht van haar kassa af dat er geen tekort was; wat niet correct was. En ze had de kassa geteld zonder dat de medewerker die zou overnemen, daarbij aanwezig was. Daaruit leidt het hof af dat, niettegenstaande mevrouw ‘A’ het geld niet had meegenomen, er wel degelijk sprake was van een ‘manifeste fraude’. Door haar houding had ‘A’ de indruk gegeven dat ze een diefstal zou begaan. Dat op zich was voor het Hof voldoende om vast te stellen dat het vertrouwen van de werkgever verbroken was, zodat de werkgever terecht kon besluiten tot een onmiddellijke en definitieve stopzetting van de samenwerking. Vertrouwensbreuk. Dit arrest is belangrijk, omdat de eerste rechter zich eigenlijk in de plaats van de werkgever had gesteld, door te oordelen dat er een onevenredigheid was tussen de begane fout en het ontslag. Mevrouw A had 340 euro verkeerd opzij gelegd, maar ze verloor wel meteen haar job (de schadevergoeding bedroeg om en bij de 8.000 euro). Maar daardoor voegde de eerste rechter een criterium toe aan de wet, nl. dat van de evenredigheid. Dat kan niet. Het Hof oordeelt dat de rechter enkel mag kijken of de werkgever een reden had om vast te stellen dat er een vertrouwensbreuk was die voldoende belangrijk was om de samenwerking stop te zetten. Dat laatste was hier het geval en daarom werd mevrouw A terecht, zonder enige vergoeding en onmiddellijk ontslagen.

Lees meer
ABM logo tekst

Nieuwe loongrenzen voor beslag of overdracht vanaf 1 januari

21.02.2022

Als uw werknemer schulden heeft, dan kan het gebeuren dat een schuldeiser zich tot de werkgever richt om een deel van het loon van de werknemer aan hém te storten, in plaats van aan de werknemer. Er zijn echter grenzen aan die beslaglegging en die grenzen worden elk jaar geïndexeerd. Soorten loonbeslag. Traditioneel wordt er een onderscheid gemaakt tussen het uitvoerend derdenbeslag en het bewarend derdenbeslag. Zoals u al uit de benaming kan afleiden moet u als werkgever, bij een bewarend beslag de betrokken sommen blokkeren en mag u ze niet uitkeren aan de werknemer. Bij een uitvoerend beslag moet u niet alleen de sommen blokkeren, maar moet u ze ook doorstorten aan de rechthebbende schuldeiser. De overdracht van het loon zal vaak voortvloeien uit een overeenkomst, afgesloten tussen de werknemer en een andere persoon (bijvoorbeeld een financieringsinstelling), waarbij de werknemer het overdraagbare deel van zijn loon, in eigendom overdraagt. Hierdoor wordt die financier, eigenaar van het loon en wordt hij meteen ook de schuldeiser van de werkgever. Wat is loon? . Het Gerechtelijk Wetboek omschrijft ‘loon’ als: bedragen uitgekeerd ter uitvoering van een arbeidsovereenkomst, een leerovereenkomst, een statuut, een abonnement, alsmede die welke worden uitgekeerd aan personen die tegen loon onder het gezag van een ander persoon arbeid verrichten buiten een arbeidsovereenkomst en het vakantiegeld uitgekeerd krachtens de wetgeving op de jaarlijkse vakantie. Worden bijvoorbeeld bedoeld: • het eigenlijke loon (na aftrek van de RSZ-bijdrage, de bedrijfsvoorheffing en andere inhoudingen zoals de groepsverzekering)• commissielonen• opzeggingsvergoedingen• eindejaarspremies of de dertiende maand, en• vakantiegeld.Maar ook werkloosheidsuitkeringen, uitkeringen die betaald worden door de fondsen voor bestaanszekerheid, uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid, onderbrekingsuitkeringen bij onderbreking van de beroepsloopbaan, enz. vallen onder dit begrip. Het Gerechtelijk Wetboek bepaalt ook wat niet vatbaar is voor beslag, namelijk: de gezinsbijslagen, de tegemoetkomingen aan mindervaliden, de bedragen uitgekeerd door OCMW’s… Grenzen. Het bedrag waarop beslag mag worden gelegd, is geplafonneerd. Om de werknemer een minimuminkomen te garanderen kan een percentage van het loon niet geblokkeerd worden. Dat percentage is afhankelijk van de hoogte van het inkomen. Het bedrag waaronder het loon volledig vatbaar is voor beslag of overdracht wordt jaarlijks geïndexeerd. Vanaf 1 januari 2022 gelden de volgende loondrempels. We vermelden eerst het netto maandinkomen in 2022, in euro, en vervolgens het percentage van de beroeps- of vervangingsinkomsten dat vatbaar is voor beslag of overdracht: Beroepsinkomsten:• tot 1.186: 0%• 1.186,01 – 1.274: 20%• 1.274,01 – 1.406: 30%• 1.406,01 – 1.538: 40%• meer dan 1.538: 100% Vervangingsinkomsten:• tot 1.186: 0%• 1.186,01 – 1.274: 20%• 1.274,01 – 1.538: 40%• meer dan 1.538: 100% Deze loondrempels worden verhoogd met 73 euro per kind ten laste. Een kind is een persoon ten laste als het inkomen van het kind in 2020 onder het volgende bedrag blijft, afhankelijk van zijn status: • samenwonende: 3.340 euro• alleenstaande: 4.825 euro• gehandicapt kind: 6.117 euro Een kind is een persoon ten laste als het inkomen van het kind in 2020 onder het volgende bedrag blijft, afhankelijk van zijn status: • samenwonende: 3.340 euro• alleenstaande: 4.825 euro• gehandicapt kind: 6.117 euro Corona. In 2020 en begin 2021 werden de drempels voor beslag tijdelijk met 20% verhoogd, in het kader van een betere bescherming tegen de economische gevolgen van de coronacrisis. Sinds 1 oktober 2021 is die verhoging niet meer van toepassing.

Lees meer
ABM logo tekst

Loongrenzen: wat en waarom?

18.02.2022

De toepassing van enkele arbeidsrechtelijke bepalingen is afhankelijk van het loon van de betrokken werknemers en bepaalde loongrenzen. Die loongrenzen worden jaarlijks aangepast. Dit zijn de bedragen voor 2022. In welke situaties zijn er loongrenzen?. Loongrenzen zijn van belang voor de toepassing van: Het concurrentiebeding: een werkgever mag zijn werknemer een ‘niet-concurrentieclausule’ opleggen, voor het geval die het bedrijf zou verlaten. Dat beding is pas geldig als het brutoloon van de werknemer op jaarbasis een bepaald minimum overschrijdt. Onder het brutoloon verstaan we: het maandelijkse brutoloon maal 12, het dubbel vakantiegeld, de eindejaarspremie, en alle voordelen. Het arbitragebeding: een werkgever en werknemer kunnen overeenkomen dat eventuele geschillen niet voor een rechter zullen worden uitgevochten, maar via arbitrage geregeld worden. Zo’n arbitragebeding is maar geldig als aan een loongrensvoorwaarde is voldaan én als de betrokken werknemer belast is met het dagelijkse beheer van de onderneming of als hij verantwoordelijk is voor het beheer van een bedrijfseenheid die als een zelfstandige entiteit kan worden gezien. Het scholingsbeding: dat is een clausule waarbij de werkgever, de werknemer als het ware kan beboeten als die laatste, kort na een opleiding op kosten van de werkgever, de onderneming zou verlaten. Een scholingsbeding is niet van toepassing bij knelpuntberoepen. En verder is een scholingsbeding ook maar geldig als het loon hoger ligt dan een bepaald bedrag. Hoe hoog zijn de loongrenzen ?. Vanaf 1 januari 2022 is een concurrentiebeding maar geldig als het bruto jaarloon hoger is dan 36.785 euro. Ligt het bruto jaarloon tussen 36.785 euro en 73.571 euro, dan geldt het concurrentiebeding maar voor de functies die vastgelegd werden in een cao. Boven de 73.571 euro geldt het omgekeerde: het concurrentiebeding is geldig, behalve voor de functies die bij cao uitgesloten worden.Het concurrentiebeding voor een handelsvertegenwoordiger maakt bovenstaand onderscheid niet en is geldig als het bruto jaarloon hoger is dan 36.785 euro. Een arbitragebeding is maar geldig als het bruto jaarloon meer bedraagt dan 73.571 euro. Scholingsbedingen zijn maar geldig als het bruto jaarloon meer bedraagt dan 36.785 euro. Opzeggingstermijnen . Loongrenzen speelden ook een rol bij de berekening van de opzeggingstermijnen van de bedienden. De berekening van de opzeggingstermijnen is ondertussen iets ingewikkelder omdat op 1 januari 2014 het zogenaamde eenheidsstatuut van start ging. Voor werknemers die al vóór 1 januari 2014 in dienst waren bij hunn huidige werkgever, wordt voor de berekening van de anciënniteit tot 31 december 2013 bij hun werkgever gekeken naar de loongrenzen die van toepassing waren op 31 december 2013. Namelijk: respectievelijk 32.254 euro en 64.508 euro. Sinds 1 januari 2014 wordt de opzeggingstermijnen dus berekend op twee elementen: Indien van toepassing, wordt het eerste deel berekend op basis van de anciënniteit die men verworven had op 31 december 2013. Het tweede deel is gebaseerd op de anciënniteit die verworven werd vanaf 1 januari 2014 tot op de datum van de betekening van de opzeggingstermijn. Als een werkgever de opzegging doet, wordt de termijn als volgt berekend: Voor de anciënniteit t.e.m. 31 december 2013: - Was de jaarlijkse bezoldiging op 31 december 2013 hoger dan 32.254 euro, dan is de opzeggingstermijn gelijk aan 1 maand per begonnen jaar anciënniteit. - In het andere geval is de opzeggingstermijn gelijk aan 3 maanden voor elke begonnen periode van 5 jaren anciënniteit. Voor de anciënniteit vanaf 31 december 2013 wordt de opzeggingstermijn bepaald volgens onderstaande tabel. In de berekening van de opzeggingstermijn na 31 december 2013 wordt er dus rekening meer gehouden met een loongrens! Anciënniteit: Opzeggingstermijn door de werkgever (in weken):- van 0 tot minder dan 3 maanden: 1 week- van 3 maanden tot minder dan 4 maanden: 3 weken- van 4 maanden tot minder dan 5 maanden: 4 weken- van 5 maanden tot minder dan 6 maanden: 5 weken- van 6 maanden tot minder dan 9 maanden: 6 weken- van 9 maanden tot 24 maanden: + 1 week per 3 maanden- van 2 jaar tot minder dan 3 jaar:  12 weken- van 3 jaar tot minder dan 4 jaar: 13 weken- van 4 jaar tot minder dan 19 jaar: + 3 weken per jaar- van 19 jaar tot minder dan 20 jaar: 60 weken- van 20 jaar tot minder dan 21 jaar: 62 weken- vanaf 21 jaar tot minder dan 22 jaar: 1 week per jaar Komt de opzegging van de werknemer, dan gelden de volgende regels: Voor de anciënniteit t.e.m. 31 december 2013: - Was de jaarlijkse bezoldiging op 31 december 2013 hoger dan 32.254 euro, dan is de opzeggingstermijn gelijk aan 1,5 maand per begonnen periode van vijf jaar anciënniteit, met een maximum van 4,5 maand. Die termijn wordt opgetrokken tot 6 maanden als het bruto jaarloon 64.508 euro overschreed op 31 december 2013.- In het andere geval is de opzeggingstermijn gelijk aan 1,5 maand per begonnen periode van vijf jaar anciënniteit, met een maximum van 3 maanden. Voor de anciënniteit na 31 december 2013:- De opzeggingstermijn wordt verrekend volgens onderstaande tabel. De opzeggingstermijn bedraagt maximaal 13 weken. Als op basis van de anciënniteit op 31 december 2013 het resultaat van de opzeggingstermijn al meer dan 13 weken bedraagt, moet er niet verder gerekend worden. - Bij de berekening van de opzeggingstermijn na 31 december 2013 wordt er geen rekening meer gehouden met een loongrens. Anciënniteit: Opzegging door de werknemer (in weken):- van 0 tot minder dan drie maanden: 1 week- van 3 maanden tot minder dan 6 maanden: 2 weken- van 6 maanden tot minder dan 12 maanden: 3 weken- van 12 maanden tot minder dan 18 maanden: 4 weken- van 18 maanden tot minder dan 24 maanden: 5 weken- van 2 jaar tot minder dan 4 jaar: 6 weken- van 4 jaar tot minder dan 5 jaar: 7 weken- van 5 jaar tot minder dan 6 jaar: 9 weken- van 6 jaar tot minder dan 7 jaar: 10 weken- van 7 jaar tot minder dan 8 jaar: 12 weken- vanaf 8 jaar: 13 weken

Lees meer
ABM logo tekst

Herstellingswerken aan privéwoningen: geen btw-attest

16.02.2022

Wie als particulier een oudere woning verbouwt, kan onder voorwaarden genieten van een lager btw-tarief. Klassiek moet de bouwheer bevestigen aan de aannemer dat de woning oud genoeg is. Daarop reikt de aannemer een attest uit voor de toepassing van het verlaagd tarief. Dat attest hoeft vanaf nu niet meer. Renovatie- en herstellingswerken. Voor renovatie- en herstellingswerken aan woningen heeft de particuliere eigenaar recht op een btw-tarief van 6%. De voorwaarden voor het verlaagd tarief zijn: de woning is ouder dan 10 jaar de woning wordt uitsluitend of hoofdzakelijk als privéwoning gebruikt, en de uitgevoerde werken (omvorming, renovatie, verbetering, herstelling of onderhoud, met uitzondering van reiniging) worden rechtstreeks aan de eindgebruiker (bv. eigenaar, vruchtgebruiker, huurder, …) gefactureerd. Is de woning ouder dan 15 jaar, dan is de vrijstelling iets uitgebreider. Het tarief van 6% is dan bijvoorbeeld ook van toepassing op de levering van gemeenschappelijke verwarmingsketels in appartementsgebouwen en op de levering van de bestanddelen van liftinstallaties. Naast de verbouwing van oudere woningen kan het verlaagd tarief ook toegepast worden bij werken aan privéwoningen of woningcomplexen voor gehandicapte personen. Attest. In elk van die gevallen moest er een btw-attest opgemaakt worden. De bouwheer moest dat attest ondertekenen en op die wijze bevestigde hij dat aan de voorwaarden voor het verlaagd tarief voldaan was. Voor de aannemer was dit attest belangrijk: bij een controle moest hij het kunnen voorleggen om de toepassing van het verlaagd tarief te kunnen verantwoorden. Maar het attest wordt nu afgeschaft. Een wet van 27 december 2021 vervangt het door een uitgebreide verklaring op de factuur zelf. Die wijziging is ingegaan op 1 januari 2022. Er geldt wel een overgangsregeling tot 30 juni 2022, om de aannemers de tijd te geven om hun interne procedures aan te passen. Verklaring. De wet schrijft exact voor wát er op de factuur moet worden vermeld. “Btw-tarief: bij gebrek aan schriftelijke betwisting binnen een termijn van één maand vanaf de ontvangst van de factuur, wordt de klant geacht te erkennen dat:- de werken worden verricht aan een woning waarvan de eerste ingebruikneming heeft plaatsgevonden in een kalenderjaar dat ten minste … jaar voorafgaat aan de datum van de eerste factuur met betrekking tot die werken;- de woning, na uitvoering van die werken, uitsluitend of hoofdzakelijk als privéwoning wordt gebruikt;- de werken worden verstrekt en gefactureerd aan een eindverbruiker. Wanneer aan minstens een van die voorwaarden niet is voldaan, dan zal de klant de toepassing van het verminderd btw-tarief schriftelijk moeten betwisten binnen een termijn van een maand en moet de dienstverrichter een aangepaste factuur of creditnota uitreiken”. Voor wat het verlaagd tarief voor de bouw en renovatie van woningen en woningcomplexen voor mindervalide personen betreft, bestaat er een gelijkaardige vermelding. Startpunt termijn. Tot 2021 werd de termijn van 10 of 15 jaar berekend op basis van het jaar van de eerste ingebruikname. De termijn werd dus niet van dag op dag berekend. De administratie geeft zelf het voorbeeld van werken die vanaf 12 februari 2016 uitgevoerd werden aan een privéwoning. De woning voldoet in dat geval aan de voorwaarde van 10 jaar anciënniteit, als ze in de loop van het jaar 2006 of in de jaren daarvoor voor het eerst werd bewoond. Vanaf 1 januari 2022 wordt er teruggeteld vanaf de datum van de eerste factuur voor de werf. Omdat er bij verbouwingen veelal gewerkt wordt met voorschotfacturen, is de impact van deze wijziging niet zo groot.  Een vermelding op de factuur i.p.v. op een attest is eigenlijk een vereenvoudiging. In tegenstelling tot het attest is er nu een vaste formulering. Bovendien kan de aannemer het attest niet meer verliezen of vergeten. De wijziging aan de berekeningstermijn is in de praktijk minder belangrijk.

Lees meer
ABM logo tekst

Energiebudget van werkgever : no pasarán

10.02.2022

Vorig jaar geleden pakte een belangrijke energieleverancier uit met een fiscale spitsvondigheid waardoor werkgevers hun medewerkers gratis verwarming of elektriciteit konden aanbieden. De werknemer was belasting op verschuldigd, maar de belastbare basis was veel lager dan de werkelijke waarde van het voordeel. Maar de minister van Financiën stak daar recent een stokje voor. De truc van de forfaitaire waardering van de voordelen. Als een werkgever een voordeel aanbiedt aan een werknemer, dan wordt die werknemer belast op de werkelijke waarde van dat voordeel. Bij sommige voordelen wordt de waarde van het voordeel echter forfaitair gewaardeerd. Denken we maar aan de bedrijfswagen, een goedkope lening, …Ook voor verwarming en elektriciteit bestaat er zo’n forfaitaire berekening, waarvan noch de werknemer/werkgever, noch de fiscus kan afwijken.  Tot 2021 werd de terbeschikkingstelling van gratis elektriciteit gewaardeerd op 470 euro per jaar, en de terbeschikkingstelling van gratis verwarming op 930 euro. Voor leidinggevend personeel en bedrijfsleiders waren die bedragen respectievelijk 1.030 euro (elektriciteit) en 2.080 euro (verwarming). Een grote energieleverancier bekwam in 2021 een ruling om deze forfaitaire waardering ook toe te passen op een nieuw product dat hij lanceerde. De werkgever kon dan met de energieleverancier een contract afsluiten voor de levering van energie en verwarming aan zijn personeelsleden. De werkgever betaalde de (integraal aftrekbare) factuur en de werknemer werd belast op een voordeel, dat bijzonder laag werd ingeschat. Maar de minister liet intussen verstaan dat hij niet akkoord kon gaan met een dergelijke constructie en hij kondigde maatregelen aan. Midden december was het zover. Koninklijk besluit beperkt het voordeel. Een koninklijk besluit van 19 december 2021 beperkt de forfaitaire waardering van het voordeel tot de situatie waarbij degene die het voordeel verleent, óók het onroerend goed ter beschikking stelt waarvoor het voordeel wordt verleend. Op die manier wordt de gunstige berekeningswijze beperkt tot de situaties waarvoor het forfait oorspronkelijk bedoeld was, namelijk voor de werknemer die moet wonen op een plaats die bepaald werd door de werkgever. Betaalt uw werkgever de elektriciteitsfactuur van uw eigen privéwoning, dan wordt u opnieuw belast op de volle waarde van de factuur, alsof het om loon gaat. Verleden en toekomst. Het ‘product’ dat de energieleverancier aanbood, was misschien wel nieuw, maar de techniek om de elektriciteits- en verwarmingsfactuur te laten betalen door de vennootschap, is dat niet. Zo gebeurde het ook dat de bedrijfsleider exact het bedrag van het voordeel ‘terugbetaalde’ aan de werkgever/vennootschap, zodat er geen ‘voordeel’ meer was. Maar ook dat stopt nu als de woning niet ter beschikking wordt gesteld door de vennootschap die ook de elektriciteits- of verwarmingsrekening betaalt, dan is een forfaitaire berekening van elektriciteit of verwarming niet meer mogelijk met ingang van 1 januari 2022. De forfaitaire berekening van de voordelen en inkomsten stamt nog uit de tijd dat de fiscus niet voldoende middelen had om van elk mogelijk voordeel of inkomen de werkelijke waarde in te schatten of om erover in discussie te gaan met de belastingplichtige. Met de nieuwste ontwikkelingen op het vlak van dataverwerking is dat geen issue meer: de fiscus kan op vrij eenvoudige wijze de waarde van elk voordeel achterhalen. Het ziet ernaar uit dat de aangekondigde grote hervorming van de personenbelasting, de forfaitaire waardering van de voordelen in het algemeen zal viseren. In de overwegingen van het KB over het energiebudget zien we al duidelijke verwijzingen naar de fiscale hervorming, maar ook de recente beslissing om vanaf 2028 de forfaitaire berekening van de inkomsten van tal van kleine zelfstandigen – kappers, bakkers, caféhouders, … – af te schaffen, zowel op het vlak van de btw, als op dat van de inkomstenbelastingen, is daar wellicht een voorbode daarvan.

Lees meer
ABM logo tekst

Personeelsfeest in coronatijden

08.02.2022

De afgelopen 2 jaar werd ons door virologen sterk afgeraden om feestjes te bouwen. In de meeste gevallen zette de regering dat advies kracht bij door fysieke samenscholingen met grote aantallen mensen te verbieden. Online-feesten was, en is nog steeds niet zo leuk, maar het kán wel. Hoe zit dat dan fiscaal ? Sociale voordelen. Beroepskosten zijn fiscaal slechts aftrekbaar als ze dienen om inkomsten te behouden of te verwerven. Geschenken aan personeelsleden, feestjes enz. vallen daar volgens de fiscus niet onder. De fiscus beschouwt ze als ‘sociale voordelen’. Daarom zijn ze bij de genieter niet belastbaar, maar zijn ze bij de verstrekker ook niet fiscaal aftrekbaar. Op die strenge regel bestaan enkele uitzonderingen. Worden onder meer beschouwd als aftrekbare sociale voordelen: gezelschapsreizen van ten hoogste één dag voor het personeel het kosteloos verstrekken van soep, koffie, thee, bier of frisdrank tijdens de werkuren het kosteloos verstrekken van fruit aan de werknemers, om tijdens de werkuren en op de plaats van tewerkstelling te nuttigen (dus niet om het mee naar huis te nemen). Geschenken en feesten. Ook geschenken aan het personeel en personeelsrecepties zijn in principe niet-aftrekbare sociale voordelen. Maar opnieuw zijn er enkele uitzonderingen. In de categorie van de geschenken zijn onder andere fiscaal aftrekbaar: huwelijkspremies (in de vorm van geld, geschenken, betaalbons) tot maximum 245 euro geringe geschenken in natura, in speciën of in de vorm van betaalbonnen, op voorwaarde dat ze aan alle personeelsleden worden gegeven én ze gegeven worden tijdens één of meer feesten of jaarlijkse gebeurtenissen, zoals Kerstmis, Nieuwjaar, Sinterklaas, het patroonsfeest van de sector (Sint-Elooi, Sint-Barbara...), een verjaardag enz. Bovendien mag het geschenk niet meer bedragen dan 40 euro per jaar, en per werknemer, plus 40 euro per jaar per kind ten laste ter gelegenheid van sinterklaas of een ander feest dat hetzelfde sociaal voordeel nastreeft (zoals Sint-Maarten) het overhandigen van een eervolle onderscheiding (x-aantal jaren dienst) (max. 120 euro per jaar per werknemer). In de goeie ouwe pre-coronatijd was een Nieuwjaars- of Kerstfeest dus perfect aftrekbaar. Online-feestje. Gelden die regels ook als u een online-feestje organiseert? We denken dan aan een online-meeting met wat versnaperingen en drank vanwege de werkgever, aan huis geleverd. In antwoord op een parlementaire vraag bevestigde de minister van Financiën dat de gebruikelijke regels van toepassing zijn. Dat betekent dat de kosten die een werkgever maakt om wat versnaperingen en drank naar de werknemer te sturen voor een online-personeelsfeest, in eerste instantie een sociaal voordeel vormen. Bijgevolg is de kost voor de verstrekking van dat voordeel in principe niet aftrekbaar. Maar de minister bevestigt ook dat de belastingadministratie de aftrek wel toestaat van de organisatiekosten die gemaakt werden ter gelegenheid van een Kerstfeest, Nieuwjaarfeest, enz. Hij voegt er vervolgens aan toe de aftrekbaarheid ook geldt voor online-personeelsrecepties. Hij voegt er wel aan toe: "om misbruiken te vermijden, wordt die afwijking slechts toegestaan als de uitgaven een geringe waarde hebben per genieter en ze gedaan zijn voor het volledige personeel (en dus niet voor een welbepaalde personeelcategorie of alleen voor de bedrijfsleiders)". Het lijkt erop dat dit antwoord eigenlijk een bevestiging is van de regels die vandaag al gelden, namelijk dat het feest moet openstaan voor alle personeelsleden, zonder uitzondering, en dat de waarde niet hoger mag zijn dan 40 euro per persoon, per jaar.

Lees meer
ABM logo tekst

Wat kost de neerlegging van de jaarrekening in 2022?

04.02.2022

Traditioneel publiceert de Nationale Bank van België in de eerste helft van december de prijzen voor de openbaarmaking van de jaarrekening voor het volgende jaar. Die prijzen zijn gekoppeld aan het indexcijfer van de consumptieprijzen, zodat de neerlegging van de jaarrekening in 2022 weer enkele eurootjes duurder wordt dan in 2021. Micro-vennootschappen met een micro-jaarrekening. We kennen in België 3 soorten jaarrekeningen, die afhankelijk zijn van de omvang van uw vennootschap. De kleinste vennootschapsvorm is de ‘micro-vennootschap’. Om te kwalificeren als een microvennootschap gelden de volgende voorwaarden: De vennootschap is geen dochtervennootschap of moedervennootschap. Op balansdatum van het laatst afgesloten boekjaar overschrijdt uw vennootschap niet meer dan één van de volgende criteria:- jaargemiddelde van het personeelsbestand: 10- jaaromzet (excl. btw): 700.000 euro;, en- balanstotaal: 350.000 euro.  Als uw vennootschap dus géén van deze criteria overschrijdt of als ze slechts één van die criteria overschrijdt, dan mag u een micro-jaarrekening neerleggen. De informatie die u daarin moet opnemen, is beperkter dan in de twee andere modellen, maar bevat uiteraard wel een balans, de namen van de bestuurders, enz. Als u het bestand van uw jaarrekening instuurt onder de vorm van een gestructureerd databestand (XBRL), dan kost de neerlegging 53,60 euro (in 2021: 51,50 euro) (excl. de bijdrage aan de Commissie voor Boekhoudkundige Normen (CBN) van 3,40 euro). Onder de vorm van een pdf-bestand, kost het u 112,90 euro (in 2021: 108,40 euro) (excl. de CBN-bijdrage). U mag voor het micromodel kiezen, maar u mag ook een verkorte of een volledige jaarrekening neerleggen. Kleine vennootschappen met een verkort schema. We spreken over kleine vennootschappen als aan de volgende voorwaarden voldaan is: De vennootschap is niet beursgenoteerd. Op balansdatum van het laatst afgesloten boekjaar overschrijdt uw vennootschap niet meer dan één van de volgende criteria:- jaargemiddelde van het personeelsbestand: 50- jaaromzet (excl. btw): 9.000.000 euro, en - balanstotaal: 4.500.000 euro.  Een neerlegging volgens het verkort model kost in de vorm van een gestructureerd databestand (XBRL) 72,50 euro (in 2021: 69,60 euro) (excl. de CBN-bijdrage). Dat wordt 131,60 euro (in 2021: 126,40 euro) (excl. de CBN-bijdrage) als u uw jaarrekening in pdf-vorm neerlegt. Kleine vennootschappen mogen ook een gewone jaarrekening, volgens het volledige schema, neerleggen, maar geen micro-jaarrekening. Volledig of geconsolideerd model van de jaarrekening. Alle andere vennootschappen moeten een volledig model van de jaarrekening neerleggen. In 2022 kost dat voor een jaarrekening in de vorm van een gestructureerd databestand (XBRL) 317,10 euro (in 2021: 304,40 euro) en voor een jaarrekening in de vorm van een pdf, is dat 376,40 euro (in 2021: 361,30 euro) (telkens excl. de CBN-bijdrage). Verbeterde jaarrekening. Bevatte uw jaarrekening wezenlijke fouten, dan moet u ze verbeteren en moet u dus een verbeterde jaarrekening neerleggen. In de praktijk kan u dat niet overkomen met een XBRL-bestand, omdat er daar al controles zijn ingebouwd. Het kan dus enkel met pdf-bestanden. Als u een verbeterde micro-jaarrekening neerlegt, dan kost u dat 46,10 euro. In de andere gevallen is dat 72,50 euro.Bij verbeteringen is er geen CBN-bijdrage van 3,40 euro verschuldigd. Noteer nog dat het model dat u moet gebruiken, niet alleen afhangt van de bovenvermelde criteria. U moet ook nog eens rekening houden met het feit dat een vennootschap onder het nieuwe Wetboek van Vennootschappen en Verenigingen een andere balans heeft – er zijn nu bijvoorbeeld vennootschappen zonder maatschappelijk kapitaal. Maar dat heeft geen gevolgen voor de prijs van de neerlegging. Op de website van de Balanscentrale vindt u alle mogelijke modellen terug: https://www.nbb.be/nl/balanscentrale/opmaken/modellen/modellen-vennootschappen.

Lees meer
ABM logo tekst

Aanslag geheime commissielonen verder teruggedrongen

25.01.2022

Als een vennootschap niet bekend maakt aan wie zij bepaalde bedragen betaalde, dan moet ze zelf de belasting daarop betalen. Die belasting is niet min, maar er zijn een aantal ontsnappingsroutes. Midden 2021 werd er nog een nieuwe ontsnappingsroute aan toegevoegd. Aanslag geheime commissielonen. Als u als vennootschap een loon, vergoeding, commissieloon, … betaalt, dan moet u steeds bekendmaken aan wie u die som betaalde. Voor de verschillende soorten vergoedingen zijn er verschillende soorten fiches, denken we maar aan de fiche 281.10 voor de lonen en de fiche 281.50 voor de commissielonen, makelaarslonen en andere vergoedingen waarvoor geen factuur werd uitgereikt. Als u niet meedeelt aan wie u de vergoeding betaalde, wordt de aftrek van de kost verworpen en moet u zelf de belasting op de vergoeding betalen. Typisch zal dat gebeuren als de fiscus naar aanleiding van een controle merkt dat bepaalde uitgaven niet gedocumenteerd werden door facturen of fiches. Dat wijst er volgens de fiscus op dat er een betaling ‘in het zwart’ gebeurde. Vroeger bedroeg het tarief van die bijzondere belasting 309%. Maar in 2020 is het tarief gedaald tot 100%, tenzij u kan aantonen dat de genieter een rechtspersoon is, dan bedraagt het tarief 50%. In de praktijk betekent dit dat het tarief 100% bedraagt als de som werd uitgekeerd aan een natuurlijke persoon. Ontsnappen aan de bijzondere aanslag. Bij de invoering van het tarief van 50% of 100% creëerde de wetgever twee manieren om de belasting te vermijden. U kan de belasting ontlopen als u kan aantonen dat de genieter van de vergoeding, die vergoeding heeft aangegeven (en de vergoedingen dus hun normale belastingregime ondergaan). De tweede manier om de bijzondere aanslag te vermijden is om alsnog aan de fiscus mee te delen wie de genieter van de vergoedingen was. U heeft daar 2 jaar en 6 maanden de tijd voor. Er wordt geteld vanaf 1 januari van het betrokken aanslagjaar. Stel dat er een vergoeding zou betaald worden in 2021. Dat valt in de meeste gevallen onder aanslagjaar 2022. U heeft dan tijd tot 30 juni 2024 om aan de fiscus mee te delen wie de genieter was van die inkomsten. Die 2,5 jaar zijn ingegeven door het feit dat de fiscus vervolgens ook nog tijd heeft om de genieter van de inkomsten te belasten. Derde ontsnappingsroute. In juni 2021 werd daar nog een derde ‘mogelijkheid’ aan toegevoegd.Als de identificatie van de genieter gebeurde ná 2 jaar en 6 maanden, moest u als vennootschap de bijzondere aanslag betalen. Zelfs als de genieter op de vergoeding belast was geweest (de eerste ontsnappingsroute). Bij een laattijdige identificatie speelde dat immers geen rol. Die ongerijmdheid wordt nu weggehaald: ook als u de genieter van de vergoeding niet ‘tijdig en op ondubbelzinnige wijze’ – dat is binnen 2 jaar en 6 maanden – kon identificeren bij de fiscus, is de bijzondere aanslag niet verschuldigd als uw vennootschap alsnog kan aantonen dat de genieter op de vergoedingen belastingen heeft betaald. 

Lees meer
ABM logo tekst

Wonen op kosten van de vennootschap… Soms wel, soms niet

21.01.2022

De rechtspraak is niet eenduidig: als een vennootschap een woning in eigendom heeft, en deze woning enkel of vooral dient voor de huisvesting van de zaakvoerder, zijn de kosten verbonden aan die woning dan aftrekbaar? De rechtbank van Gent vond onlangs van niet, maar het hof van beroep van Gent vond op bijna hetzelfde moment van wel. De Gentse rechtbank over niet één, maar twee woningen. Een man en een vrouw hebben een vennootschap, die zij zelf omschrijven als een vastgoedvennootschap. De vennootschap kwam tot stand na enkele fusies en had in de portefeuille een handelspand, een appartement in Knokke-Heist en een woning in Grembergen. In oktober 2014 verplaatst het koppel zijn domicilie van de woning in Grembergen, naar het appartement in Knokke-Heist, samen met de maatschappelijke zetel van de vennootschap. In maart 2015 wordt de woning in Grembergen vernietigd door een brand. De schadevergoeding levert een meerwaarde op. De vennootschap wil die tijdelijk vrijstellen. Dat kan als de vergoeding wederbelegd worden. In 2017 krijgt de vennootschap een grondige controle over de aanslagjaren 2015 en 2016. Daarbij stelt de fiscus vast dat de onroerende goederen die aan de zaakvoerder ter beschikking worden gesteld, niet in het kader van de activiteiten werden aangewend. De kosten in verband met de woningen zijn dus niet aftrekbaar. De meerwaarde op de woning in Grembergen kan bovendien niet worden vrijgesteld omdat niet voldaan is aan de eerste voorwaarde voor die vrijstelling – dat is dat het goed gebruikt moet worden voor de beroepswerkzaamheid van de vennootschap. De meerwaarde is dus integraal belastbaar. De Gentse rechter trekt meteen de kwalificatie van ‘vastgoedvennootschap’ in twijfel. Er kan niet ontkend worden dat er onroerende goederen in de vennootschap zitten, maar de rechtbank lijkt de vennootschap toch eerder als een patrimoniumvennootschap te beschouwen (dus als een vennootschap voor het beheer van het eigen vermogen), in plaats van als een vastgoedvennootschap (dat is een vennootschap die handelt in onroerende goederen).  De rechtbank concludeert dat het feit dat de vennootschap geregistreerd staat als een vastgoedvennootschap, nog niet betekent dat de kosten van de twee onroerende goederen bij wijze van automatisme als aftrekbare beroepskosten moeten worden beschouwd. Het koppel bevestigt dat ze de woningen zelf gebruikt, maar het is de bedoeling om ze op termijn te verkopen en dan zouden ze een meerwaarde opleveren.  Maar zo’n theoretische overweging overtuigt de rechtbank niet: het feit dat de gebouwen ooit een meerwaarde zullen opleveren, wordt niet afdoende aangetoond. En zelfs als ze een meerwaarde zouden opleveren, dan is op vandaag niet voldaan aan de voorwaarde voor de aftrekbaarheid, vermits de meerwaarde vandaag geen vaststaand gegeven is. Wat dan met de bezoldigingstheorie? Volgens die theorie kan een vennootschap de kosten om een voordeel van alle aard toe te kennen aan haar bestuurder uit hoofde van het uitoefenen van zijn beroepswerkzaamheid binnen die vennootschap, kwalificeren als aftrekbare beroepskosten. Dat is hier ook effectief het geval: de zaakvoerder geniet een belastbaar voordeel via de gratis woonst. Wat bleek echter? De zaakvoerder betaalde een eigen bijdrage voor de woning. Die eigen bijdrage werd geboekt op het debet van zijn rekening-courant. De bijdrage kwam exact overeen met het bedrag van het voordeel, waardoor de zaakvoerder in de praktijk geen belasting moest betalen. Volgens de rechtbank leidt de fiscus daaruit terecht af dat de voordelen niet als een bezoldiging kunnen worden beschouwd, vermits het equivalent van het voordeel volledig werd geboekt en de zaakvoerder dit voordeel dus dient terug te betalen. De bezoldigingstheorie is dus niet van toepassing. Het hof van beroep over een villa met zwembad. De zaak voor het Gentse Hof van Beroep betrof een villa met zwembad en poolhouse, in handen van een managementvennootschap. De vennootschap gebruikte het gebouw zelf voor 20%. De rest van de tijd werd het gebouw ter beschikking gesteld van de bedrijfsleider, die op het voordeel belastingen betaalde. De vennootschap beroept zich op de hogervermelde bezoldigingstheorie om de kosten verbonden aan de woning voor 100% in aftrek te brengen. De fiscus verwerpt de aftrek en argumenteert dat de terbeschikkingstelling niet bedoeld is om de bedrijfsleider te vergoeden voor zijn prestaties in de vennootschap. De bedrijfsleider ontving ook een vergoeding in geld en in het contract werd nergens melding gemaakt van de woning als vergoeding voor prestaties. Maar de bedrijfsleider verwijst naar de notulen van de algemene vergadering waarin wel uitdrukkelijk vermeld wordt dat de zaakvoerder als bezoldiging voor de uitoefening van zijn mandaat zowel een periodiek loon in speciën krijgt, als voordelen in natura m.b.t. het privégebruik van de woning. De fiscus wijst ook nog op de disproportionaliteit tussen het bedrag van het belastbare voordeel en het bedrag van de kosten. Maar dat argument wordt zelden of nooit aanvaard: dat het belastbaar voordeel veel kleiner is dan de werkelijke waarde van het voordeel heeft te maken met de forfaitaire waardering die wordt opgelegd door de fiscus zelf. Ten slotte verwerpt het Hof ook het argument dat de werkelijke waarde van het voordeel bijzonder groot is. Dat is een opportuniteitsoordeel. Het Hof stelt vast dat er slechts één zaakvoerder en aandeelhouder is. Geen personeel. De vennootschap heeft dankzij die zaakvoerder een aanzienlijk inkomen en een vennootschap mag een aanzienlijk loon toekennen aan haar bedrijfsleider.  Het verschil ?. Het arrest van het Gentse Hof van Beroep toont aan dat een woning in een vennootschap – met alle fiscale voordelen daarvan – nog wel kan. Het vonnis van de Gentse rechtbank toont dan weer aan dat het altijd een dubbeltje op zijn kant is. Het voornaamste verschil tussen beide rechtszaken lijkt te liggen in de vraag in welke mate de gratis woonst een alternatieve bezoldiging is. Er moet sprake zijn van een reden voor de vergoeding. Dat lijkt in het arrest van het Hof het geval te zijn, in het vonnis van de rechtbank is dat veel minder zo. Maar feit is dat wie het onderste uit de kan wil halen, weerstand zal krijgen van de fiscus. En dan kan het lang duren...

Lees meer
ABM logo tekst

‘Kot te huur’. Met of zonder btw?

20.01.2022

Waarom zou u btw aanrekenen op de verhuring van studentenkamers? Om de btw bij de bouw (of herinrichting) van die kamers te kunnen aftrekken. Eind 2020 kreeg een investeerder een ruling die hem toeliet btw aan te rekenen en dus de btw op de investering en op het onderhoud ook te kunnen aftrekken. Maar de wetgever heeft daar een stokje voor gestoken. Hoteldienst. Onroerende verhuur is in principe vrijgesteld van btw. Daardoor is de btw die u betaalt op de investering in het onroerend goed en op de kosten van die activiteit, niet aftrekbaar. Daarop bestaan echter enkele uitzonderingen, waaronder een uitzondering voor ‘het verschaffen van gemeubeld logies’. Voor de Belgische fiscus is er sprake van het verschaffen van gemeubeld logies als er hoteldiensten worden geleverd: daarbij denkt de fiscus aan de ontvangst van de gasten, gemeubileerde kamers, terbeschikkingstelling van huishoudlinnen, schoonmaak, en eventueel ook ontbijt. Hotels en B&B's vallen daar duidelijk onder. Maar voor de verhuur van bijvoorbeeld vakantiewoningen is dat al minder evident, niettegenstaande de genoemde diensten daar ook worden aangeboden.  Na wat positieve beslissingen van de hoven en rechtbanken besliste de fiscus de verhuur van een vakantiewoning met toepassing van btw te aanvaarden. Er werden meerdere rulings in die zin aangenomen. En daarbij wordt dan telkens gekeken naar de hogervermelde criteria (receptie, schoonmaken, …). Maar op basis van die criteria moest de rulingcommissie eind 2020 bevestigen dat de verhuur van studentenkamers (mits levering van de genoemde diensten, zoals onthaal en schoonmaak) óók onder het btw-regime kon vallen. De regering probeerde dit tegen te gaan met meerdere wetsontwerpen, maar dat lukte niet omdat de Raad van State oordeelde dat de ontwerpen discriminerend waren. Maar met een wetsontwerp van november 2021 lijkt iedereen in te stemmen. Verhuur. Het begrip ‘verschaffen van gemeubelde logies’ wordt voortaan wettelijk afgebakend met een kwantitatief criterium: er is maar sprake van het verschaffen van gemeubeld logies als de verhuur van het onroerend goed niet langer duurt dan 3 maanden. Bij een verhuur aan toeristen of aan bezoekers voor korte termijn is er dan wél sprake van een hoteldienst. Verhuurt u aan toeristen of aan personen op zakenreis, dan gebeurt dat veelal voor een korte termijn en is aan het kwantitatief criterium voldaan. Volgens de redenering van de wetgever is een verhuur van studentenkamers of een verhuur van een vakantiewoning voor langere termijn meer gericht op een huur van het onroerend goed. De waarde van de bijkomende diensten is daar minder belangrijk en daarom is er geen sprake meer van een hoteldienst. Opgelet: het kwantitatieve criterium geldt niet alleen voor de terbeschikkingstelling. Het geldt ook voor de persoon van de dienstverrichter. Verhuurt u gebruikelijk studentenkamers voor periodes van drie maanden of meer, dan is ook die ene keer dat u een kamer verhuurt voor een kortere periode, vrijgesteld van btw. Bijkomende diensten. Naast het kwantitatieve criterium wordt er ook gekeken naar de bijkomende diensten. Er is maar sprake van het verschaffen van gemeubeld logies als minstens één van deze diensten wordt aangeboden (zelfs als de verhuring korter is dan 3 maanden): Er moet een fysiek onthaal zijn van de gasten. Er wordt huishoudlinnen ter beschikking gesteld. Er wordt elke dag een ontbijt aangeboden. Als één van deze diensten wordt geleverd én de verhuring is korter dan 3 maanden, dan is er sprake van een hoteldienst en is er wél btw verschuldigd. Noteer dat de schoonmaak van de kamer – wat tot nu wél als een element was – niet langer vermeld wordt. Hotel of motel. Ondernemers die hun logies ‘hotel’ of ‘motel’ mogen noemen – dat zijn beschermde benamingen – vallen automatisch onder de btw-regeling van het verschaffen van gemeubeld logies. Zij moeten enkel aantonen dat zij aan het kwantitatief criterium voldoen.  Sinds 1 januari. Deze regeling trad in werking op 1 januari 2022 en bevat geen overgangsbepalingen. Dat betekent dat wie momenteel vakantiewoningen verhuurt voor bijvoorbeeld 4 maanden, niet langer btw mag aanrekenen. Wat de impact hiervan is op de btw die reeds werd afgetrokken, is nog niet duidelijk. Het aantal btw-plichtigen dat zich in deze situatie bevindt, zal misschien niet zo groot zijn, maar er zijn enkele grote spelers op de markt, specifiek in de sector van de studentenkamers, die hier een belangrijk voordeel verloren zien gaan en die dus de financiering van hun projecten moeten herberekenen.

Lees meer
ABM logo tekst

Liquidatiereserve en vennootschap-aandeelhouder

18.01.2022

De liquidatiereserve laat een ondernemer die zich in een vennootschapsvorm organiseert, toe om een spaarpotje op te bouwen dat bij stopzetting van de vennootschap belastingvrij kan uitgekeerd worden. Maar die belastingvrijstelling geldt niet voor de aandeelhouders die zelf de vorm van een vennootschap hebben. Een oplossing biedt zich aan. Hoe werkt de liquidatiereserve?. De liquidatiereserve werd in het leven geroepen toen de regering besloot om de liquidatiebonus (dat is de winst die u uzelf uitkeert als u uw vennootschap ontbindt) aan de roerende voorheffing te onderwerpen. Tot zowat 2012 kon u winsten in uw vennootschap oppotten, om die dan op uw pensioenleeftijd aan uzelf uit te keren door de vennootschap te liquideren. Dat was voordeliger dan de winst meteen uit te keren als een dividend, omdat u er dan roerende voorheffing moest op betalen. Toen in 2012 beslist werd om de roerende voorheffing ook toe te passen op de liquidatiebonus, zagen heel wat ondernemers hun spaarpotje plotseling belast worden. Meteen viel één van de belangrijkste voordelen van het aanhouden van een vennootschap weg. Om hieraan tegemoet te komen, creëerde de regering een regeling waarbij het spaarpotje toch nog enigszins ontzien werd. Het spaarpotje kan nog wel belastingvrij uitgekeerd worden als: de winst van het boekjaar (gedeeltelijk) geboekt wordt op een afzonderlijke rekening op het passief; en u die som niet uitkeert tot aan de liquidatie van de vennootschap. Bij het overboeken bent u wel een bijzondere heffing van 10% verschuldigd. Als u het bedrag toch uitkeert vóór de liquidatie, dan is er alsnog roerende voorheffing verschuldigd. Doet u dat binnen de 5 jaar nadat u de winst overboekte, dan betaalt u 20% roerende voorheffing (zo komt u ook aan 30%). In geval van uitkering na 5 jaar is er slechts 5% voorheffing verschuldigd. Enkel voor natuurlijke personen . De bijzondere heffing van 10% geldt zodra u winsten overboekt naar de liquidatiereserve (u duidt dit aan in de bijzondere bijlagen in uw aangifte). Maar de vrijstelling bij de uitkering op het moment van de liquidatie geldt enkel als de genieter een natuurlijke persoon is. Als in de loop van het bestaan van de vennootschap er andere aandeelhouders bijkomen, dan heeft dat op zich geen effect op de liquidatiereserve die u al heeft aangelegd. Maar als er bij die aandeelhouders vennootschappen zitten, dan ontstaat er een probleem. Aandeelhouders-vennootschappen kunnen de belastingvrijstelling op de liquidatiereserve immers niet claimen. De bijzondere heffing is dan ‘verloren’, want ze zal nooit tot een vrijstelling leiden of tot het verlaagd tarief van 5% als de vennootschap de uitkering ontvangt. Een nieuwe vennoot. Stel dat u samen met uw beste vriend een vennootschap opricht en u daar een liquidatiereserve opbouwde van bijvoorbeeld 100 (-10% bijzondere heffing: netto dus 90). Die vriend van u doet nog wat andere investeringen en creëert een holdingvennootschap die onder andere eigenaar wordt van de aandelen die hij had in jullie vennootschap. Voortaan zit u in de vennootschap dus samen met de vennootschap van uw vriend.  U bouwt de liquidatiereserve verder op… nog eens 200 (minus de bijzondere heffing: netto 180).En u wenst te liquideren. Zou uw beste vriend nog steeds rechtstreeks aandeelhouder geweest zijn, dan kon de liquidatiereserve van 270 (90 + 180) volledig belastingvrij uitgekeerd worden.  Maar omdat uw vriend aandeelhouder is via een vennootschap zal hij wel belastingen moeten betalen (25% in de vennootschapsbelasting). Ja, u ontvangt uw deel belastingvrij, maar samen betaalt u wel méér belastingen. In feite had u de 10% bijzondere heffing op het ogenblik van het aanleggen van de reserve nooit moeten betalen voor zover de reserve in handen was van een vennootschap. De vennootschap ging er toch belastingen op betalen. Uitweg vanwege de Rulingcommissie. De fiscale Rulingcommissie heeft eerder al te kennen gegeven dat zij niet toelaat dat bij de liquidatie of zelfs bij de uitkering van reserves na 5 jaar, de vennootschap zou kiezen welke reserves gebruikt worden voor welke aandeelhouder. We zouden ons bijvoorbeeld kunnen voorstellen dat u een dividend uitkeert en u het dividend voor de aandeelhouder-natuurlijke persoon enkel uit de liquidatiereserve haalt, terwijl u het dividend voor de aandeelhouder-vennootschap uit andere reserves haalt. Maar de Rulingcommissie oordeelde eerder al dat dit fiscaal misbruik is. Die deur is dus dicht. Wat wél zou mogen, volgens een nieuwe ruling, is dat u in de statuten voorziet dat er aandelen A zijn – die enkel voor natuurlijke personen zijn –, en aandelen B – die enkel voor vennootschappen zijn. Op dat ogenblik kan u wel bepalen dat de aandelen A enkel een dividend krijgen uit de liquidatiereserve, en de aandelen B daar nooit een dividend kunnen uit krijgen. Is dat dan geen fiscaal misbruik? . Volgens de Rulingcommissie kunnen er economische motieven zijn om dit onderscheid in de statuten op te nemen op het ogenblik dat een vennootschap zou instappen. Via een dergelijk onderscheid kunnen de partijen immers een discussie over de waardering van de aandelen, specifiek naar aanleiding van aanwezige liquidatiereserves, vermijden. Een dergelijk onderscheid tussen de natuurlijke personen en de vennootschappen komt de coherentie van de belangen van de verschillende aandeelhouders en de continuïteit van de vennootschap ook op lange termijn, met het oog op een eventuele instap van nieuwe aandeelhouders, ten goede.  De Rulingcommissie zet de deur dus inderdaad open om te vermijden dat liquidatiereserves (waarop 10% bijzondere heffing werd geheven) terechtkomen bij vennootschappen, die er dan toch nog belastingen moeten op betalen. Maar de stappen die u moet volgen, zijn strikt beschreven. U doet er dan ook goed aan om dat formele luik nauwgezet te volgen.

Lees meer
ABM logo tekst

Buitenlandse zelfstandigen met beroepskaart in Vlaanderen

11.01.2022

Niet-Europeanen die zich in Vlaanderen willen vestigen als zelfstandige, zijn sinds 1 januari 2022 onderworpen aan een nieuwe regeling inzake de beroepskaart. De oude regeling van 1965 blijft wel nog gelden in de andere gewesten. Federale regeling . Volgens de federale regeling is er een beroepskaart nodig als: een persoon zich wil vestigen als zelfstandige, als natuurlijk persoon of als mandataris van een vennootschap of een vereniging (bezoldigd of onbezoldigd mandaat); en  hij niet de Belgische nationaliteit heeft en ook geen onderdaan is van een lidstaat van de Europese Unie, noch van IJsland, Liechtenstein, Noorwegen of Zwitserland. Er gelden hier heel wat uitzonderingen, bijvoorbeeld voor: personen die een geldige identiteitskaart voor vreemdelingen hebben; familieleden van onderdanen van een lidstaat van de Europese Economische Ruimte (EER); partners die hun echtgenoot bijstaan of vervangen bij de uitoefening van een zelfstandige beroepsactiviteit; buitenlandse onderdanen die zakenreizen ondernemen (van maximum 90 dagen); buitenlandse journalisten;  enz. Vlaams decreet. Het decreet over de uitoefening van zelfstandige beroepsactiviteiten door buitenlandse onderdanen werd al op 9 juli 2021 door de Vlaamse regering goedgekeurd, maar werd pas in november in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. Het decreet wijzigt de toelatingsvoorwaarden waaraan zelfstandigen én hun beroepsactiviteiten moeten voldoen om een beroepskaart te kunnen krijgen vanaf 1 januari 2022. De wet die tot nog toe deze materie regelde – een wet van 1965 – bevatte in feite geen toelatingsvoorwaarden. Daardoor kwam élke zelfstandige beroepsactiviteit in aanmerking voor een beroepskaart. Daar wil de Vlaamse regering nu een einde aan maken.  De bedoeling is om via de beroepskaart meer ondernemingen aan te trekken die een innovatieve, economische, sportieve, artistieke of culturele meerwaarde kunnen bieden voor het Vlaamse gewest. Voortaan wordt er bij de aanvraag een onderscheid gemaakt tussen:  start-ups en scale-ups; klassieke ondernemingen; en speciale statuten, zoals sportcoaches en kunstenaars. In eerste instantie richt het nieuwe economische migratiebeleid zich op het aantrekken van start-ups en scale-ups. Die moeten dan wel een innovatief karakter hebben. Het begrip ‘innovatie’ wordt gedefinieerd als: nieuwe technologieën die toegepast worden in bestaande producten, diensten of processen of voor het ontwikkelen van nieuwe (of verbeterde) producten, diensten of processen.Innovatieve start-ups en scale-ups zullen standaard een beroepskaart met een geldigheidsduur van drie jaar krijgen. Daardoor moeten ze in staat zijn om – in samenwerking met het FIT (Flanders Investment and Trade) en VLAIO (Vlaams Agentschap Innoveren en Ondernemen) – vlotter het nodige risicokapitaal aan te trekken, zonder zich zorgen te moeten maken over de geldigheidsduur van hun beroepskaart. Ook klassieke ondernemingen zijn nog steeds welkom (typevoorbeeld: de kebabzaken), maar onder de nieuwe regeling zal die klassieke onderneming wel over een startkapitaal van 18.600 euro moeten beschikken en zal de ondernemer minimaal een diploma secundair onderwijs moeten kunnen voorleggen. De derde categorie wordt gevormd door de zogenaamde speciale statuten, zoals sportcoaches en kunstenaars. Een beroepskaart wordt daar pas afgeleverd ná advies van de diensten die bevoegd zijn voor Sport en Cultuur.  Toelatingscriteria. Bij de beoordeling van elke aanvraag (ongeacht het type onderneming) wordt er gepeild naar de gevolgde opleidingen of de verworven competenties. De regering verwacht bovendien dat wie zich hier vestigt, zichzelf ook een loon kan uitkeren. Hiervoor wordt de lat gelegd op 120 procent van het leefloon, dat momenteel op maandelijks 1524,61 euro netto ligt. Bij het beoordelen van het aanvraagdossier wordt ook bekeken of er Vlaamse jobs zullen worden gecreëerd, of er al een band met Vlaanderen is, of er zich geen veiligheidsprobleem stelt, …. Beroepskaarten zijn niet langer voor vijf jaar geldig. Voortaan wordt een beroepskaart na drie jaar geëvalueerd, waarna er een verlenging kan worden afgeleverd. Digitale procedure. De aanvraag van een beroepskaart verloopt voortaan digitaal; net als de toekenning en betaling ervan. Het Vlaams Departement Werk en Sociale Economie wordt de bevoegde instantie.  Het decreet op de zelfstandige beroepsactiviteiten treedt in werking op 1 januari 2022. Maar de aanvragen voor het verkrijgen, hernieuwen, wijzigen of vervangen van een beroepskaart en de beroepsprocedures die dateren van voor 1 januari 2022, worden verdergezet volgens de oude regels.

Lees meer
ABM logo tekst

Bedrijfsvoorheffing bij ploegen- en nachtarbeid

10.01.2022

De voorwaarden en de modaliteiten voor de vrijstelling van bedrijfsvoorheffing (BV) in geval van ploegen- en nachtarbeid geeft regelmatig aanleiding tot discussies. In een circulaire van midden november spreekt de fiscus zich uit over de zogenaamde één derde norm: die moet u voortaan altijd 'per uur' berekenen. Vrijstelling van BV. De ‘vrijstelling’ van BV houdt in dat de werkgever een deel van de bedrijfsvoorheffing die wordt ingehouden op het loon, niet moet doorstorten aan de Schatkist. De bedrijfsvoorheffing moet wel volgens de gewone regels berekend worden en mag niet uitgekeerd worden aan de werknemers.  Hoewel de BV dus niet, of niet volledig, aan de Schatkist wordt gestort, mag de werknemer toch de volledige bedrijfsvoorheffing verrekenen in zijn aangifte in de personenbelasting. Voorwaarden. Mits zij bepaalde voorwaarden naleven, kunnen ondernemingen waar in minstens 2 ploegen gewerkt wordt, een vrijstelling van BV genieten. Voor de vrijstelling voor ploegenarbeid zijn de voornaamste voorwaarden dat het dus minstens twee ploegen moeten zijn, van minstens twee personen. De ploegen doen zowel qua inhoud, als qua omvang hetzelfde werk. Ten slotte moeten de ploegen elkaar opvolgen, zonder onderbreking, en zonder dat de overlapping meer bedraagt dan 1/4e van hun dagtaak. Wat de vrijstelling voor nachtarbeid betreft, eist de wet dat de werknemers hun prestaties verrichten tussen 20 uur en 6 uur, met uitsluiting van de werknemers die enkel prestaties verrichten tussen 6 uur en 24 uur, en van de werknemers die gewoonlijk beginnen te werken vanaf 5 uur. Er is nog één bijkomende voorwaarde, die zowel voor ploegen- als voor nachtarbeid geldt: de zogenaamde één derde-norm. Om in aanmerking te komen voor de vrijstelling moeten de betrokken werknemers gedurende ten minste één derde van hun arbeidstijd in ploegen- of nachtarbeid zijn tewerkgesteld (art. 275(5), § 1, lid 4 WIB 1992).  Voor het hof van beroep van Bergen kwam de vraag op welke wijze dat één derde berekend moet worden. U zou dat cijfer in dagen kunnen berekenen, maar ook in uren.  In 2015 publiceerde de fiscus hierover zelf een FAQ, waarin hij meedeelde dat de belastingplichtige werkgever dit zelf mocht bepalen. De enige beperking die er gesteld werd, is dat éénmaal er gekozen werd voor één systeem, die methode coherent moet worden toegepast. Maar het hof van Bergen vond in 2020 geen wettelijke basis voor die keuzemogelijkheid en oordeelde dat de werkgever de één derde-norm moest berekenen op uurbasis, en niet op dagbasis. 16 november 2021. In een circulaire van 16 november 2021 past de belastingadministratie haar houding aan het arrest van het hof van Bergen aan en staat ze vooraan alleen nog een berekening in uren toe. De nieuwe regeling treedt onmiddellijk in werking, maar de verplichting om altijd de één derde-norm op uurbasis te berekenen, geldt pas vanaf 1 januari 2022. Zo krijgen de sociale secretariaten en werkgevers de tijd om hun informaticasystemen aan te passen. Met andere woorden: tot 1 januari 2022 behouden de werkgevers dus de keuze tussen een berekening op dag- of uurbasis. Concreet. De belastingadministratie geeft zelf de volgende simpele voorbeelden.Een werknemer heeft het volgende werkrooster:  In week 1 werkt hij 38 uren en hij doet dat volledig in de ochtendploeg. In week 2 werkt hij ook 38 uren, maar niet in een ploeg. In week 3 werkt hij in totaal 38 uren en volledig in de ochtendploeg. In week 4 werkt hij 38 uren, maar niet in een ploeg. Deze werknemer heeft in totaal 152 uren gewerkt en daarvan heeft hij er 76 in ploegenarbeid gewerkt. Dat geeft een verhouding van 76/152, wat één op twee is en dus hoger dan één op drie. De werknemer voldoet aan de één derde-norm. Stel dat de werknemer in week 3 niet in de ochtendploeg zou gezeten hebben, dan zou je op een verhouding 38/152 komen, wat één op vier is en dan werd de één derde-norm niet nageleefd. Er is dan geen vrijstelling van bedrijfsvoorheffing mogelijk.

Lees meer
ABM logo tekst

Uw gedacht zeggen over uw concurrent … oppassen!

17.12.2021

Voor het Hof van Beroep van Antwerpen werd begin 2021 een zaak behandeld van twee stofzuigerproducenten. De ene producent had de andere gelinkt aan het schandaal rond de sjoemelsoftware van een bekend automerk. Dat kan voor het Hof niet door de beugel. Energielabel . Een producent van stofzuigers zonder zak (hierna: X-Zonder) stelde vast dat een concurrent met stofzuigers mét zak (hierna: Y-Met) zijn producten verkocht met het energielabel A. Ten onrechte, aldus X-zonder, want de testen voor het energielabel moesten uitgevoerd worden met een lege zak. X-Zonder stapte daarop naar de Europese Rechtbank van Eerste Aanleg om de testprocedure aan te vechten. Dat gebeurde in 2015. Naar aanleiding van die procedure verspreidde de producent ook nog een perscommuniqué waarbij hij erop wees dat de consument misleid werd over het werkelijke energieverbruik van het product door de wijze waarop de testen moesten uitgevoerd worden. Een journalist met bijkomende vragen kreeg achteraf een e-mail met meer details: Y-Met vertegenwoordigde een groep van merken en wat bleek … één van die merken was betrokken bij het sjoemelsoftwareschandaal in de autoindustrie. In de e-mail linkte X-Zonder die twee aan elkaar en gebruikte hij daarbij niet toevallig de termen “sjoemel-schandaal” en “(naam van het automerk)-schandaal”. De journalist verwerkte de informatie die hij van X-Zonder gekregen had in zijn artikel, waarop Y-Met zich de volgende morgen in zijn koffie verslikte. Y-Met startte een rechtszaak, maar kreeg daarin slechts gedeeltelijk gelijk: X-Zonder werd in 2016 veroordeeld voor denigrerende vergelijkende reclame. Daarop ging X-Zonder in beroep. In 2018 werd de Europese richtlijn die bepaalt hoe de testen voor het energielabel moeten verlopen, vernietigd, na een klacht van X-Zonder. Het gevolg was dat ook Y-Met geen A-label meer kon voeren.. Is dat reclame?. In de procedure voor het hof van beroep argumenteerde X-Zonder intussen dat zijn perscommuniqué geen reclame was. Het ging om informatie aan het ‘publiek’. Maar het Hof is toch een andere mening toegedaan. Het Wetboek van Economisch Recht definieert reclame als: iedere mededeling die rechtstreeks of onrechtstreeks ten doel heeft de verkoop van producten te bevorderen, ongeacht de plaats of de aangewende communicatiemiddelen. Het persbericht en de e-mail aan de redactie ressorteren volgens het Hof onder die definitie omdat ze, minstens onrechtstreeks, tot doel hadden de verkoop van producten te bevorderen. Het was bovendien vergelijkende reclame. Dat is: elke vorm van reclame waarbij een concurrent dan wel door een concurrent aangeboden goederen of diensten uitdrukkelijk of impliciet worden genoemd. Het feit dat de verwijzing naar de sjoemelsoftware enkel in de e-mail stond en niet in de persmededeling, is geen excuus: de producent had bij het verzenden van zijn communicatie er minstens rekening moeten mee houden dat die informatie kon worden overgenomen door de betrokken journalist. Slechtmaking. De rechter in eerste aanleg had ook besloten dat de persmededeling in combinatie met de e-mail beschouwd moest worden als slechtmaking. Volgens de rechtspraak is er slechtmaking wanneer een daad strijdig is met de eerlijke markprakijken. Er is sprake van slechtmaking of zwartmaking bij een bijzonder schadelijke aanval op een handelaar, waardoor afbreuk wordt gedaan aan zijn reputatie of aan de reputatie van zijn producten, diensten of activiteiten, door een lasterlijke of eerrovende daad, of zelfs door een eenvoudige kritiek die toelaat hem te identificeren. De insinuatie dat de producent van stofzuigers met zak zou 'sjoemelen' met het product om beter te scoren bij de tests, is slechtmaking, zowel voor de rechter in eerste aanleg als voor het Hof van Beroep. X-Zonder mocht niet insinueren dat een concurrent zich bezondigd had aan wettelijke inbreuken, zonder dat die inbreuken in rechte waren vastgesteld. Het Hof voegt er nog aan toe dat het van geen belang is dat X-Zonder een klacht had ingediend tegen de testprocedure op het moment van de slechtmaking. Ook het argument dat – achteraf bekeken – de bewering van X-Zonder correct bleek te zijn, betekent niet dat de communicatie daarom geen slechtmaking zou kunnen zijn. Een onderneming mag kritiek formuleren op concurrenten, maar dan nog, moet ze de reputatie van die andere onderneming respecteren. Zelfs als de concurrent sjoemelt. In dit bijzondere geval was op het ogenblik van de aantijgingen de concurrent niet veroordeeld voor gesjoemel. Achteraf bekeken had X-Zonder wel een punt, maar zelfs dan nog mocht hij niet spreken van gesjoemel of de link leggen met het automerken-schandaal. De producent van zakloze stofzuigers werd ook in beroep veroordeeld voor denigrerende vergelijkende reclame.

Lees meer
ABM logo tekst

Weigering te leveren is misbruik van economische machtspositie

16.12.2021

Weigeren te leveren aan een zakelijke klant waarmee u in de clinch ligt voor de rechtbank, kan een vorm van misbruik van economische machtspositie zijn. Dat kan u erg veel geld kosten. Opzegging. Een jachtwinkel heeft een concessie op de verkoop van een bepaald soort jachtgeweer. Op aandringen van de Duitse producent van het wapen splitst de onderneming haar activiteiten op in een winkel voor de eindverbruiker, en een distributiebedrijf voor België. Dat gebeurde in 1985. Na 35 jaar wordt de concessie echter redelijk abrupt stopgezet. De opzegging werd eind februari 2020 gegeven en gaat in op 1 juli 2020. De producent zal de kleinhandelaars in België voortaan zelf rechtstreeks bevoorraden. De distributeur meent dat hij exclusiviteit heeft op de verkoop van de producten en eist een schadevergoeding. Op 30 april dagvaardt hij de producent. Maar ook de winkel komt in de problemen: door de opzegging van de concessie moet de winkel zich rechtstreeks tot de producent wenden om zich de wapens en accessoires te kunnen aanschaffen. Weigering te leveren. Aanvankelijk lijkt de producent geen probleem te maken van het feit dat er een rechtszaak is tussen hemzelf en de zusteronderneming van de winkelier. Bestellingen worden geplaatst in juli en augustus, met geplande levering in oktober, en de winkelier krijgt zelfs een lijst met nieuwe producten en prijzen toegestuurd. Maar vooraleer de levering gebeurt, laat de producent weten dat er geen effectieve levering zal plaatsvinden zolang de zaak met de distributeur niet is opgelost. Tegen die weigering stelt de winkelier een stakingsvordering in. De winkel vraagt aan de rechter om de producent te veroordelen wegens de leverings- en verkoopweigering – dus om de producent te dwingen alsnog te leveren en te verkopen. Afhankelijkheid. De rechter onderzoekt of er sprake is van economische afhankelijkheid. Daarvoor is het niet ver zoeken: de concessie met de zusteronderneming loopt al 35 jaar. De winkelier verkoopt vooral, of vrijwel uitsluitend de merken van de producent (die erg hoog aangeschreven staan in het wereldje van de jacht. De rechter stelt vast dat de naam van de winkel (en van de distributeur) als het ware vergroeid zijn met die merken. Hoewel dit wordt tegengesproken door de producent, blijkt het ook niet zomaar mogelijk om andere merken te verkopen. Zoals gezegd is er de kwaliteit van het betrokken product. Maar de winkel zit ook nog met een voorraad van onderdelen, die onverkoopbaar wordt als er zou overgestapt worden naar de merken van een andere producent. De rechter volgt in grote mate de stelling van de winkel. De verkoop van onderdelen is een belangrijk onderdeel van de omzet. Een winkel die zich specialiseert in een bepaald merk, kan niet zomaar overstappen naar een ander merk, omdat er voor die onderdelen geen alternatieven zijn.Voor de rechter is de economische afhankelijkheid aangetoond. Misbruik machtspositie. De rechter meent bovendien dat er ook misbruik is van de machtspositie. De rechter wijst erop dat, nadat de concessie voor de distributeur werd stopgezet, er eerst nog gewoon werd gehandeld met de winkel. Pas eind oktober liet de producent aan de winkel weten dat de verkopen stopgezet zouden worden en de bestellingen geweigerd zouden worden zolang de zaak met de distributeur niet geregeld was. De winkel is echter geen partij in die zaak (behalve dan omdat ze de rechtsvoorganger was van de distribiteur). Volgens de rechter is er dan ook geen sprake van een agressieve houding van de winkel in die zaak en is er evenmin sprake van een vertrouwensbreuk. Het komt de rechter eerder voor dat de producent druk wil zetten op de distributeur om tot een voor hem gunstige uitkomst of schikking te komen. Zodoende is de beslissing om niet te leveren geen economische beslissing van de producent, maar gewoon een drukkingsmiddel in de afhandeling van het dispuut met de distributeur. Verplichting terug te leveren. De rechter veroordeelt de Duitse producent om de leverings- en verkoopweigering stop te zetten en koppelt daar een dwangsom aan van 10.000 euro per dag vertraging bij elke leveringsweigering, met een maximum van 100.000 euro. Of er intussen “schot in de zaak kwam” tussen de producent en de distribiteur weten we niet...

Lees meer