Hoe kunnen we uw bedrijf helpen groeien?

Voor gefundeerd bedrijfseconomisch advies en fiscale expertise. Dat is waar we uw bedrijf mee helpen groeien. Van start tot overdracht. 

Accountancy

ACCOUNTANCY

Uw accountant is in de eerste plaats een vertrouwenspersoon. De informatie die u hem of haar toevertrouwt is immers per definitie confidentieel.

Fiscaliteit

FISCALITEIT

De basisopdracht van uw belastingconsulent is om u doorheen het bos van fiscale maatregelen de bomen te laten zien.

Juridisch

JURIDISCH

Vanuit zijn breed perspectief en ruime ervaring in diverse ondernemingen en sectoren is uw accountant een dankbaar klankbord.

Trapwijs gestapelde blokken

ABM versterkt uw groei

Voor gefundeerd bedrijfseconomisch advies en fiscale expertise. Dat is waar we uw bedrijf mee helpen groeien. Van start tot overdracht. En dat is precies waarin we voor meer dan 90% van onze klanten echt het verschil maken. Als accountants en belastingconsulenten, maar meer nog als een partner die zich inleeft in uw verhaal, die inzichten met u deelt en die u helpt om de juiste beslissingen te nemen.

Quick access

Collega's ABM Accountants
Tekstbalonnen

VERTEL ONS UW VERHAAL

Want vertellen alleen al brengt nieuwe inzichten. Automatisch. En daar pikken wij graag op in. Maak een afspraak.

Team ABM
Blad papier en balpen

UW DOSSIER BIJ ABM

ABM stelt u al uw documenten 24/7 ter beschikking in een overzichtelijk dossier. Klik hier om in te loggen.

Collega's ABM Accountants
Zoekfunctie

SNEL OPZOEKEN

Snel een BTW-nummer opzoeken, een loonberekening maken of bedrijfsinformatie raadplegen?

Testimonials

Nieuws

ABM logo tekst

Zichtrekening in nalatenschap: gevaar voor dubbele belasting

23.09.2022

Bij overlijden van één van de ouders zullen de meeste families de nalatenschap niet echt verdelen. De langstlevende partner kan op die manier verder, zonder het gevoel te hebben dat naast zijn partner ook nog eens de helft van zijn vermogen verdwenen is. Mooi, maar een dubbele belasting loert om de hoek. Standaardnalatenschap. Stel dat we te maken hebben met een familie van 2 ouders en 2 kinderen, waar er geen bijzondere regelingen getroffen werden. Bij overlijden van de eerste ouder krijgt de langstlevende ouder de helft van het gemeenschappelijk vermogen in volle eigendom en de andere helft in vruchtgebruik. De blote eigendom daarvan gaat naar de kinderen. Als die eigendom uit een onroerend goed bestaat, is dat duidelijk: de langstlevende partner blijft in de woning wonen, deels als volle eigenaar en deels als vruchtgebruiker. Maar wat met de banktegoeden? Bijvoorbeeld een spaarrekening? Of een beleggingsportefeuille?  In de praktijk worden die gelden gewoon op de rekening gelaten en wordt de gemeenschappelijke rekening omgezet naar een rekening op naam van de langstlevende partner. Het geld wordt niet verdeeld.  Gevaar voor dubbele belasting. Er ontstaat echter een financieel probleem wanneer de langstlevende partner overlijdt, omdat op dat ogenblik de kinderen wél zullen overgaan tot de effectieve verdeling van de nalatenschap. De som op de spaarrekening of de beleggingsportefeuille zal dan automatisch opnieuw in de nalatenschap terecht komen, terwijl de helft ervan al in blote eigendom toebehoorde aan de kinderen. In principe zou daarop geen erfbelasting meer verschuldigd mogen zijn. Vlabel – en ook de federale belastingadministratie – heeft altijd aanvaard dat de erfgenamen mogen aantonen dat de betrokken sommen niet meer in de nalatenschap thuis horen.  Het probleem is echter dat de sommen uit de nalatenschap intussen vermengd werden met de eigen gelden van de langstlevende partner en die sommen nog moeilijk te identificeren zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval met zichtrekeningen. De som die origineel op de rekening stond, verdwijnt naarmate de jaren verstrijken en er inkomsten op gestort worden en er uitgaven gedaan worden. Idem voor spaarrekeningen, waarvan al eens wat wordt afgehaald en er dan weer wat wordt bijgestort.  Het bewijs dat het om een som uit de nalatenschap gaat, is dus niet eenvoudig te leveren. Rechtspraak zet Vlabel onder druk . In een concreet geval dat voorgelegd werd aan de rechtbank van eerste aanleg in Gent en vervolgens aan het hof van beroep van Gent oordeelden de rechters telkens dat de kinderen bij het overlijden van de langstlevende ouder een persoonlijke vordering hadden op die nalatenschap, ter waarde van de sommen waarop zij bij het eerste overlijden, erfbelasting hadden betaald.Die persoonlijke vordering konden zij als schuld van de nalatenschap in aftrek brengen, zodat de belastbare basis effectief daalde. Er is deze uitspraak, maar intussen werd er ook een nieuw boek over goederenrecht in ons Burgerlijk Wetboek opgenomen. Nieuw goederenrecht . Ook onder het oude goederenrecht maakte men al een onderscheid tussen de zogenaamde persoonlijke vorderingen en de zakelijke vorderingen:- Een zakelijke vordering heeft betrekking op een bepaalde zaak. Ik geef u goed X, en u moet mij goed X teruggeven. - Een persoonlijke vordering betekent dat ik u vraag om iets te doen.Voor wat de gelden betreft is er een zakelijke vordering mogelijk, maar niet meer als er sprake is van een vermenging, want dan is die bepaalde zaak niet meer terug te vinden. U moet dan teruggrijpen naar de persoonlijke vordering.  In het nieuwe goederenrecht blijft dat onderscheid bestaan. Maar er wordt een uitzondering ingebouwd wat de zakelijke rechten betreft : als een zakelijk recht betrekking heeft op soortgoederen (dat zijn gelden of goederen die onderling inwisselbaar zijn), dan blijft het toch mogelijk om een zakelijke vordering in te stellen. Vlabel draait bij. De mening van de rechters en het nieuwe Burgerlijk Wetboek hebben er in 2021 toe geleid dat Vlabel zijn standpunt heeft bijgestuurd. Als het tweede overlijden plaats heeft na 1 september 2021 (dat is de datum van inwerkingtreding van het nieuw goederenrecht van het Burgerlijk Wetboek), dan hebben de erfgenamen in principe een zakelijk vordering op het vermogen van de langstlevende. Dit houdt in dat het betrokken goed gewoon niet in de nalatenschap zit en het ook niet moet worden aangegeven. Vlabel stel wel als voorwaarde dat de goederen nog voldoende traceerbaar zijn. We denken bijvoorbeeld aan een som die aanwezig was op de spaarrekening en die intussen verder is aangegroeid.  Als er echter niet voldoende geldmiddelen aanwezig zijn, dan hebben de erfgenamen een persoonlijke vordering, die in het passief van de nalatenschap kan worden opgenomen. Iets concreter: stel dat bij het overlijden van de eerste ouder er een spaarrekening was met daarop een bedrag van 200.000 euro. De helft daarvan – dus 100.000 euro – werd opgenomen in de aangifte van de eerste nalatenschap.Bij het overlijden van de tweede ouder staat er 120.000 euro op de rekening. Met het nieuwe standpunt van Vlabel lijkt het erop dat de erfgenamen nog enkel 20.000 euro in de aangifte voor de erfbelasting moeten opnemen, omdat zij op die 100.000 euro een zakelijke vordering hebben. Stel dat er op de spaarrekening maar 60.000 euro meer stond. In dat geval kan het zakelijk recht niet meer volledig uitgeoefend worden en hebben de erfgenamen nog een persoonlijke vordering van 40.000 euro op de nalatenschap. Die som kan afgetrokken worden van de waarde van de andere bestanddelen van de nalatenschap (bijvoorbeeld van de waarde van de woning), als die er zijn.

Lees meer
ABM logo tekst

Taalgebruik in rechtszaken voor wie in Brussel werkt

16.09.2022

Mevrouw X werkt in Brussel, maar de maatschappelijke zetel van haar werkgever ligt in Asse. Welke taal is hier van toepassing als de werkgever verstek geeft voor de rechter? Uit de praktijk . De maatschappelijk zetel van BV A is gevestigd in Asse. Mevrouw X werkt voor de BV, maar ze werkt in de bakkerij die op de Gentse Steenweg in Brussel ligt. Dat is haar exploitatiezetel. Mevrouw B wordt echter ontslagen en er ontstaat discussie over achterstallige vergoedingen.Zij trekt naar de Franstalige arbeidsrechtbank van Brussel, die zich afvraagt of er hier geen schending van de taalwetgeving is: de BV is immers in het Vlaamse Gewest gevestigd. Belangrijk hier is dat de werkgever verstek liet gaan. Een Franstalige medewerkster stond dus haar zaak te bepleiten voor een Franstalige rechtbank, terwijl haar Nederlandstalige werkgever geen interesse betoonde voor haar zaak. Wetgeving. Artikel 4§1 van de ‘wet op het gebruik der talen in gerechtszaken’ bepaalt, en we citeren letterlijk: De akte tot inleiding van het geding wordt in het Fransch gesteld, indien de verweerder woonachtig is in het Frans taalgebied; in het Nederlandsch, indien de verweerder woonachtig is in het Nederlands taalgebied; in het Fransch of in het Nederlandsch, ter keuze van den eischer, indien de verweerder woonachtig is in eene gemeente van de Brusselsche agglomeratie of geen gekende woonplaats in België heeft.Mocht u daaraan nog twijfelen: deze wet dateert van 15 juni 1935... Op basis van deze bepaling had mevrouw X haar vordering in het Nederlands moeten instellen. Maar de rechter verwijst naar een arrest van Grondwettelijk Hof van 2010, met gelijkaardige feiten.Ook daar was de maatschappelijke zetel van de werkgever in Asse gevestigd, maar de betrokken werknemer werkte in een bejaardeninstelling in Brussel. Bovendien hadden alle sociale betrekkingen tot dan toe in het Frans plaatsgevonden.Het Grondwettelijk Hof meende toen dat de wet zodanig moest uitgelegd worden dat er gekeken moest worden naar de exploitatiezetel. Exploitatiezetel primeert . De arbeidsrechtbank neemt de redenering van het Grondwettelijk Hof over. In feite hadden alle sociale betrekkingen plaats in de exploitatiezetel (in Brussel), en niet op de maatschappelijke zetel (in het Vlaamse Gewest).  De arbeidsrechtbank stelt bijkomend vast dat alle sociale betrekkingen plaats vonden in het Frans, en niet in het Nederlands. Het arbeidscontract, de loonfiches, de ontslagbrief… alle documenten waren in het Frans opgesteld. Bijgevolg werd de taalwetgeving hier niet geschonden en kon de zaak verdergezet worden in het Frans.

Lees meer
ABM logo tekst

Loonachterstal door toedoen van het sociaal secretariaat

15.09.2022

De meeste ondernemingen besteden hun loonadministratie uit aan een sociaal secretariaat. De loonafhandeling is zo ingewikkeld geworden dat enkel gespecialiseerde ondernemingen dit tot een goed einde kunnen brengen. Maar wat als ook zij de bal misslaan? Uit de praktijk . Het sociaal secretariaat X doet de loonadministratie van een vzw. Mijnheer A werkt bij de vzw sinds 2006, maar in 2016 blijkt dat zijn bezoldiging niet berekend werd overeenkomstig de barema’s van het toepasselijke paritaire comité. De vzw verandert in mei 2017 van sociaal secretariaat en vraagt op 2 mei 2017 aan het nieuwe sociaal secretariaat om het nodige te doen om de fout recht te zetten.  Het nieuwe sociaal secretariaat neemt de betaling van de lonen over en de achterstallen worden uitgekeerd vanaf eind mei 2017. De nieuwe barema’s worden echter maar toegepast vanaf 1 oktober 2016. Voor de lonen van daarvoor wordt niets gedaan. Dat is niet naar de zin van medewerker A, die naar de rechtbank stapt. Verjaring. De eerste rechter veroordeelt de vzw tot betaling van het achterstallige loon voor de periode van 2 mei 2012 tot 30 september 2016. De datum van 2 mei 2012 is de datum waarop de vzw aan het sociaal secretariaat de opdracht gaf om de nodige rechtzettingen te doen. De verjaringstermijn bedraagt 5 jaar. Bijgevolg krijgt het personeelslid het achterstallige loon voor die periode. Dat bedrag wordt verhoogd met verwijlinteresten, berekend aan de wettelijke rentevoet en dit tot aan de uitspraak van de rechter. Het oude sociaal secretariaat moet op eigen kosten corrigerende loonfiches opstellen. Bovendien moet dat sociaal secretariaat ook de interesten die de vzw aan de werknemer moet betalen, vergoeden. Tot slot veroordeelt de eerste rechter het sociaal secretariaat tot een bedrag van 4.000 euro als compensatie voor het verlies van de kans om het beheer van het budget van de vzw Y aan te passen aan de reële arbeidskosten van A. De partijen tekenen beroep aan, maar het arbeidshof behoudt een groot deel van het vonnis.Het arbeidshof bevestigt de verjaringstermijn en de veroordeling van de vzw. Het hof bevestigt ook dat het sociaal secretariaat op eigen kosten correctieopgaven moet maken, maar het herleidt de schadevergoeding voor de gemiste kans en de verwijlinteresten. Wat de verwijlinteresten betreft meent het hof dat de vzw de achterstallige lonen tot 2012 had kunnen betalen in de loop van juni 2017. Dat die betaling pas in 2019 gebeurt, na de rechterlijke uitspraak, is niet de fout van het sociaal secretariaat. De schadevergoeding wordt dus beperkt tot verwijlinteresten voor de periode van mei 2012 tot juni 2017. Wat de gemiste kans betreft erkent het arbeidshof dat er schade was, maar vermindert het de schadevergoeding tot 1.500 euro. Sociaal secretariaat draait op voor de kosten . Als de fout van het sociaal secretariaat aangetoond is, kunnen de kosten die door deze fout ontstonden aan deze onderneming doorgerekend worden. Het loon zelf uiteraard niet, maar er zijn genoeg andere kosten die ontstaan bij een verkeerde berekening van het loon, zoals corrigerende loonfiches, RSZ-verhogingen, vervallen interesten en zoals hier het geval is, de schade die voortvloeit uit het verlies van de kans om het budget aan te passen rekening houdend met de werkelijke kostprijs van de lonen.

Lees meer

Onze gemotiveerde medewerkers

Werken bij ABM Accountants?

ABM is voortdurend op zoek naar boekhoudkundig en fiscaal talent.